Bijlage B Beleidsregel ervaringsfase ontheffingverlening LZV: , als bedoeld in artikel 12 en 13
Beleidsregel ervaringsfase ontheffingverlening LZV
Keuringseisen aantekening op kentekenbewijs ten behoeve van LZV of afgifte LZV attest 1. Een trekkend motorrijtuig moet: 1. Het getrokken voertuig moet: 2. Indien het getrokken voertuig is ingericht om een ander voertuig voor te bewegen moet: Voor een LZV geldt dat:
- a. behoren tot een der categorieën N2 of N3, als bedoeld in bijlage II, van richtlijn nr. 70/156/EEG1Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 24). en waarvoor een kenteken zonder gebruiksbeperking is opgegeven;
- b. uitgerust zijn met een EBS drukluchtremsysteem als bedoeld in ECE 132VN ECE-reglement nr. 13 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van remsystemen van bedrijfsvoertuigen. par. 5.1.3.1.2;
- c. een koppeling hebben voor het aankoppelen van een aanhangwagen of oplegger die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG394/20/EEG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 mei 1994 betreffende mechanische koppelinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens en de bevestiging van de inrichtingen aan deze voertuigen (PbEG L 195). en tevens geschikt is voor de grotere krachten (hogere D- en V-waarden) van de LZV;
- d. voorzien zijn van een zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG4Richtlijn nr. 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zijdelingse afscherming (zijdelingse beschermingsinrichtingen) bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 124). en is uitgevoerd als gesloten vlak, ongeacht de in artikel 3.3.37, elfde lid, van het Voertuigreglement bedoelde uitzondering voor bedrijfsauto’s voor speciale doeleinden;
- e. voorzien zijn van opspatafschermingen, die voldoen aan richtlijn 91/226/EEG591/226/EEG Richtlijn van de Raad van 27 maart 1991 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake opspatafschermingssystemen bij bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 103).;
- f. voorzien zijn van een lijnmarkering of een contourmarkering als bedoeld in artikel 3.3.46, derde lid, van het Voertuigreglement;
- g. voorzien zijn van een afscherming als bedoeld in richtlijn 2000/40/EG6Richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203). dan wel van een afscherming met een aantoonbaar zelfde veiligheidsniveau;
- h. indien het geen bedrijfsauto is als bedoeld in artikel 5.3.45a, derde lid, onder b of c, van het Voertuigreglement is:
- 1. aan de rechterzijde zijn voorzien van een gezichtsveld verbeterende voorziening als bedoeld in artikel 5.3.45a, eerste lid, van het Voertuigreglement;
- 2. aan de voorzijde zijn voorzien:
- a. van een vooruitkijkspiegel, bedoeld in art 1.1 onder bd1 van het Voertuigreglement, of,
- b. een andere spiegel waarmee het weggedeelte kan worden overzien dat wordt begrensd door:
- – het verticale dwarsvlak door het voorste punt van de cabine van het voertuig;
- – het verticale dwarsvlak gelegen 2 000 mm voor het voertuig;
- – het verticale vlak in de lengterichting dat door het buitenste punt van het voertuig aan de bestuurderszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig;
- – het verticale vlak in de lengterichting dat door het punt 2 000 mm buiten het buitenste punt van het voertuig aan de passagierszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig. De voorzijde van het binnen deze begrenzing gelegen gebied wordt aan de passagierszijde afgerond met een straal van 2 000 mm.
- i. zijn uitgerust met een afleeseenheid waarop de druk van de achteras(sen) of het achterasstel van dit voertuig alsmede de via de datakabel van het remsysteem (CANbus) aangeboden informatie met betrekking tot asdrukken wordt weergegeven, met een afleesnauwkeurigheid van ten minste 0,1 ton of 100 kg;
- j. ten minste een vermogen van de motor hebben, vastgesteld volgens richtlijn 80/1269/EEG780/1269/EEG Richtlijn van de Raad van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het motorvermogen van motorvoertuigen (PbEG L 375)., gedeeld door de factor 5 × 10–3 kW/kg;
- k. niet zijn uitgerust met een tank of vloeistofcontainer voor vloeibare lading met een volume van meer dan 1000 L;
- l. niet zijn ingericht voor vervoer van vee als bedoeld in artikel 1 van de Gezondheids- en welzijnswet8Stbl. 1992, 585. voor dieren.
- a. behoren tot een der categorieën O3 of O4 als bedoeld in bijlage II, van richtlijn nr. 70/156/EEG en waarvoor een kenteken zonder gebruiksbeperking is opgegeven;
- b. uitgerust zijn met een EBS drukluchtremsysteem als bedoeld in ECE Reglement 13, par. 5.1.3.1.2.;
- c. voorzien zijn van een zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, en is uitgevoerd als gesloten vlak, ongeacht de in artikel 3.7.37, tiende lid, van het Voertuigreglement bedoelde uitzondering;
- d. voorzien zijn van opspatafschermingen, die voldoen aan richtlijn 91/226/EEG;
- e. voorzien zijn van een lijnmarkering of een contourmarkering als bedoeld in artikel artikel 3.7.46, derde lid, van het Voertuigreglement;
- f. niet zijn uitgerust met een tank of vloeistofcontainer voor vloeibare lading met een volume van meer dan 1000 L;
- g. niet zijn ingericht voor vervoer van vee als bedoeld in artikel 1 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
- a. de EBS data-uitwisseling tussen het trekkend motorrijtuig en dit andere voertuig worden doorgegeven. Het eigen remsysteem van het getrokken voertuig mag hiervan tijdelijk kunnen worden afgekoppeld;
- b. het remsysteem zijn beveiligd als bedoeld in richtlijn 71/320/EG9Richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 202)., bijlage I, onder 2.2.1.19.;
- c. de koppeling voor het aankoppelen van een aanhangwagen of oplegger voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG en tevens geschikt zijn voor de grotere krachten (hogere D- en V-waarden) van de LZV;
- d. zodanig zijn ingericht dat de druk per as of per asstel van dit voertuig via de datakabel van het remsysteem (CANbus) voor verdere verwerking wordt aangeboden, of een afleeseenheid hebben waarop de druk per as of asstel wordt weergegeven, met een afleesnauwkeurigheid van ten minste 0,1 ton of 100 kg .
- 1. in aanvulling op het Voertuigreglement de maximale toegestane som van de aslasten van een door een andere aanhangwagen voort te bewegen middenasaanhangwagen wordt vastgesteld op ten hoogste de som van de aslasten van de trekkende aanhangwagen.
- 2. In afwijking van het Voertuigreglement de gezamenlijke toegestane maximummassa van twee door een bedrijfsauto voort te bewegen middenasaanhangwagens wordt vastgesteld op ten hoogste 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto dan wel de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende motorrijtuig vermelde toegestane maximum te trekken massa.