Bijlage 1 Regeling garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: , behorende bij de artikelen 2, eerste lid, en 4, tweede lid, onderdeel a, en vijfde lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
1.1. Meten: het vaststellen en registreren van de hoeveelheid energie die over een kalendermaand de systeemgrens van de WKK-eenheid is gepasseerd. 1.2. Meetgegeven: het resultaat van het meten voor één vorm van energie. Er is ten minste één meetgegeven van elk van de afzonderlijke energievormen, te weten brandstof, elektriciteit, warmte en, voor zover van toepassing, mechanische energie. Indien een energievorm op meer dan één punt op de systeemgrens wordt gemeten, zullen er ook meer meetgegevens voor die energievorm zijn. 1.3. Bemetering: het geheel van alle meetinrichtingen en systemen voor dataopslag en datatransmissie dat nodig is om alle energie die de systeemgrens van de WKK-eenheid passeert, te meten en te waarborgen. 1.4. Meetinrichting: het totaal van onderling samenhangende meters en meetmiddelen die nodig zijn om een hoeveelheid energie te meten. Er is ten minste één meetinrichting voor het meten van elk van de afzonderlijke energievormen, te weten brandstof, elektriciteit, warmte en, voor zover van toepassing, mechanische energie. 1.5. Meter: een toestel dat één parameter meet, nodig voor het vaststellen van de hoeveelheid energie. 1.6. Meetmiddel: een onderdeel van de meetinrichting, nodig voor het meten, anders dan een meter. 1.7. Systeemgrens: een fictieve gesloten omhulling van de HR-WKK-eenheid die de HR-WKK-eenheid onderscheidt van de andere systemen binnen het bedrijf. 2.1. Het meetprotocol van de HR-WKK-installatie bevat ten minste de volgende elementen: 2.2. Bij het meetprotocol behoort een administratie waarin per meetinrichting de volgende gegevens worden geregistreerd: Aanvullend geldt voor warmte norm EN 1434-sectie 2. De producent is verantwoordelijk voor het actueel houden van deze administratie. 2.3. De onzekerheid van een meetgegeven wordt berekend uit de onnauwkeurigheden van de afzonderlijke meetinrichtingen op de wijze als beschreven in de ‘Guide to the expression of uncertainty in measurement’ (uitgave van BIPM, IEC, IFCC, ISO, IUPAC,
- a. beschrijving van de verschillende componenten van de HR-WKK-installatie, inclusief de eventuele afzonderlijke HR-WKK-eenheden en de verschillende hulpinstallaties daarbij;
- b. beschrijving en schets van de systeemgrens of systeemgrenzen van de HR-WKK-eenheden waaruit de HR-WKK-installatie bestaat zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3;
- c. beschrijving en schets van de bemetering van elk van de HR-WKK-eenheden;
- d. beschrijving van de meters en meetmiddelen van elk van de meetinrichtingen;
- e. beschrijving van het onderhoud van elk van de meetinrichtingen;
- f. beschrijving van de apparatuur voor de opslag en de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;
- g. beschrijving van de onnauwkeurigheid van elk van de meetinrichtingen;
- h. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de metingen;
- i. beschrijving van de wijze van reparatie van meetgegevens en alternatieve meetmethoden in geval van storing van de meetinrichting;
- j. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;
- k. beschrijving van de frequentie van ijking van elk van de meetinrichtingen;
- l. beschrijving van de vaststelling dan wel de berekening van de hoeveelheid HR-WKK-elektriciteit die op het net is ingevoed en van de berekening van de besparing op primaire energie, overeenkomstig artikel 7 van de regeling.
- a. fabrikaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar van de geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;
- b. kalibratiecertificaten van de meetinrichting en de meters en meetmiddelen daarvan;
- c. het jaar waarin de meetinrichting is geïnstalleerd dan wel voor het laatst is gereviseerd;
- d. het soort zegel waarmee de meetinrichting is verzegeld, dan wel de wijze van borging die voor de meetinrichting is aangebracht;
- e. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is gecontroleerd;
- f. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is geijkt;
- g. de resultaten van de aan de meetinrichting uitgevoerde controles en ijkingen;
- h. een overzicht van de functionarissen die bevoegd zijn metingen uit te voeren en meetinrichtingen te onderhouden respectievelijk te beheren.
- a. storingen van meetinrichtingen en daarmee samenhangende reparatie van meetgegevens;
- b. storingen in andere onderdelen van de bemetering en de gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de meetgegevens,
- c. dat meetgegevens door middel van alternatieve meting zijn bepaald;
- d. correctie van meetgegevens, en
- e. wijzigingen in installatie, bemetering en andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de hoeveelheid garanties van oorsprong.
- a. geen goede meting mogelijk is van de energiehoeveelheid,
- b. het plaatsen van een meetinrichting tot aantasting van de veiligheid van de installatie zou leiden,
- c. het plaatsen of verbeteren van een meetinrichting tot onevenredig hoge kosten zou leiden, of
- d. een meetinrichting in storing is geraakt als bedoeld onder 2.10 tot en met 2.12.
- a. een beschrijving van de technische onmogelijkheid om hoofdstuk 4 toe te passen, of
- b. de overwegingen omtrent de veiligheid van de installatie op grond waarvan hoofdstuk 4 niet toegepast kan worden, of
- c. een onderbouwde raming van de kosten die het aanpassen van de betrokken meetinrichting aan het toepassen van hoofdstuk 4 zouden vergen, en
- d. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van hoofdstuk 4 bereikt zou zijn, en
- e. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van de alternatieve meting bereikt zal worden.
- a. voor energie die aan de HR-WKK-eenheid wordt toegevoerd: de meetwaarde wordt vermeerderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid en
- b. voor energie die de HR-WKK-eenheid produceert: de meetwaarde wordt verminderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid.