Bijlage III Hygiënebesluit kuikenbroederijen legsector (PPE) 2007: : Werkvoorschrift voor het nemen van monsters op de kuikenbroederij
Hygiënebesluit kuikenbroederijen legsector (PPE) 2007
Dit werkvoorschrift beschrijft of monstername van dons, meconium, liggenblijvers, eierschalen en inlegvellen uit uitkomstladen in kuikenbroederijen voor de verplichte monitoring zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit. De monsters worden genomen door een medewerker van de broederij. Ondernemers die een fokbedrijf of een vermeerderingsbedrijf uitoefenen dienen het op het bedrijf aanwezige fokpluimvee en/of vermeerderingspluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. De bemonstering bestaat uit een reguliere monstername en een officiële monstername. Voor de reguliere monstername zijn er twee mogelijkheden, bemonstering van het koppel op het fok- of vermeerderingsbedrijf of bemonstering van het koppel op de broederij. In artikel 4 lid, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de standaard voor de reguliere monstername bemonstering op het fok- of vermeerderingsbedrijf is. In dit geval dient op de broederij dons, meconium of liggenblijvers onderzocht te worden. Deze monstername is in onderdeel A van deze bijlage beschreven. De ondernemer van een fok- of vermeerderingsbedrijf kan echter een verzoek indienen bij de voorzitter voor bemonstering op de broederij. In onderdeel B van deze bijlage is de bemonstering op de broederij opgenomen. Indien fok- of vermeerderingspluimvee wordt onderzocht op het fok- of vermeerderingsbedrijf dan dient de kuikenbroederijen altijd donsmonsters, meconiummonsters of monsters van liggenblijvers te nemen. De frequentie van de reguliere monstername wordt weergegeven in de tabel: type kuikenbroederij frequentie onderzoek broederijen voor de productie van eendagskuikens van moederdieren legrassen iedere uitkomstkast en iedere uitkomst broederijen voor de productie van eendagskuikens voor de productie van consumptie-eieren iedere vermeerderaar minimaal eenmaal in de twee weken Naast de reguliere door de broederijen uit te voeren bemonstering van dons, meconium of liggenblijvers dient, tenminste eens in de acht weken, een
- – De monsters dienen te worden geanalyseerd bij een door de voorzitter erkend laboratorium.
- – Wanneer een monster Salmonella met besmet is, laat de ondernemer dit serotyperen door een door de voorzitter erkend laboratorium.
- – Alle bevindingen van Salmonella dienen direct (dag van bekend worden) naar de broederij te worden teruggekoppeld.
- – De broederij neemt per herkomstadres ten minste éénmaal per twee weken monsters om te onderzoeken op Salmonella. De monstername dient gebaseerd te zijn op minimaal één dagproductie.
- – Wanneer broedeieren uit verschillende stallen van hetzelfde herkomstadres in meer dan één broedkast worden ingelegd, dient de broederij er zorg voor te dragen dat broedeieren afkomstig uit alle stallen worden bemonsterd.
- – De monsters worden genomen volgens de voorgeschreven werkvoorschriften monstername in deze bijlage.
- – De monsters worden op Salmonella onderzocht door een laboratorium dat voldoet aan de eisen uit het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen laboratoria 2007.
- – Wanneer van een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf tweemaal binnen 4 weken in een monster van de broederij Salmonella wordt aangetroffen, wordt logistiek gebroed.
- – datum van bemonstering;
- – uitslag bemonstering;
- – datum melding aan GD (Salmonella enteritidis/Salmonella typhimurium) of aan het door de voorzitter erkende laboratorium (overige Salmonellae);
- – datum en beschrijving genomen acties in de broederij en eventueel bij het herkomstadres (ruimten/behandelen).
- – aantal fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven dat via de broederij is gescreend;
- – overzicht van KIP-nummers dat via de broederij is gescreend;
- – aantal koppels per fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf en het nummer van de koppels dat via de broederij is gescreend;
- – alle uitslagen (positief en negatief) van de door de broederij gescreende koppels, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven, voorzien van koppel en KIP-nummer;
- – aantal koppels waarbij Salmonella is aangetoond;
- – gegevens van de koppels waarbij Salmonella is aangetoond.
- – de broederij geeft maandelijks een overzicht van alle Salmonella uitslagen behorende bij het koppel fokpluimvee of vermeerderingspluimvee door aan die fokbedrijven of vermeerderingsbedrijven waar deze uitslagen als uitgangscontrole dienen.
- – Monsters moeten te traceren zijn naar de stal(len) van herkomst.
- – De verantwoordelijkheid om de uitslagen van de monsters te traceren op stalniveau ligt bij de broederij.
- – steriele goed afsluitbare plastic zak of pot
- – etiketten
- – steriele plastic handschoenen
- – inzendformulier
- – Per uitkomstkast worden uit tenminste 25 afzonderlijke uitkomstladen eierschalen bemonsterd.
- – Per uitkomstlade wordt 10 gram gebroken eierschalen genomen.
- – De 25 monsters van tenminste 10 gram worden fijngemalen en gemengd waarna hiervan een deelmonster van 25 gram wordt genomen.
- – Het monster (in totaal 25 gram fijngemalen eierschaal) kan in één pot of zak verzameld worden.
- – Het monster wordt genomen zonder de eierschalen met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
- – Er wordt minimaal één verzamelmonster van zichtbaar met faeces (meconium) besmeurde inlegvellen genomen.
- – Inlegvellen worden bemonsterd van uitkomstladen die aselect van 5 verschillende uitkomstladen of plaatsen in de uitkomstbroeder worden genomen.
- – De bemonsterde inlegvellen hebben een gezamenlijk oppervlak van tenminste 1 m2 .
- – Indien de broedeieren van een koppel fokpluimvee of vermeerderingspluimvee over meer dan één broedmachine verdeeld zijn, wordt van iedere broedmachine een verzamelmonster genomen.
- – Monstername dient te geschieden zonder de inlegvellen met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
- – Het monster wordt zodanig genomen dat niet met iets anders in aanraking wordt gekomen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
- – De monsters kunnen in één pot of zak worden verzameld.
- – Per uitkomstkast worden tenminste 5 donsmonsters genomen.
- – Elk donsmonster moet een monster zijn van minimaal 5 gram natte dons, genomen op de dag dat de kuikens worden afgeraapt, nadat de kast leeg is.
- – De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkast genomen te worden waarbij bij voorkeur een monster van de ventilator of grond genomen moet worden en monsters genomen dienen te worden van de linker-, rechter-, boven- en onderkant van de koelbuizen.
- – De monsters (in totaal 25 gram dons) kunnen in één pot of zak verzameld worden.
- – Het monster wordt genomen zonder het dons met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
- – Van één leverantie broedeieren dienen tenminste 250 meconiummonsters te worden verzameld.
- – De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkasten te worden genomen.
- – Monstername dient te geschieden zonder de meconiums met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
- – Het monster wordt zodanig genomen dat niet met iets anders in aanraking wordt gekomen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
- – De monsters kunnen in één plastic pot of zak worden verzameld.
- – Van één leverantie broedeieren dienen karkassen van 60 niet aangepikte liggenblijvers (broedeieren) die in de schaal zijn gestorven te worden bemonsterd.
- – De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkasten genomen te worden.
- – Monstername dient te geschieden zonder de dode kuikens met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
- – Het monster wordt zodanig genomen dat niet met iets anders in aanraking wordt gekomen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
- – De monsters kunnen in één plastic pot of zak worden verzameld.
- – Iedere pot of plastic zak dient direct na het vullen zorgvuldig gesloten te worden.
- – Elke pot of plastic zak moet van een etiket met de volgende gegevens worden voorzien:
- – datum, van monsterneming
- – registratie-nummer (KIP-nummer) en naam van de broederij
- – uitkomstkastnummer(s)
- – De broederij moet een protocol hebben waarin staat vermeld:
- – wie verantwoordelijk is voor de monstername
- – hoe, waar en wanneer de monstername wordt uitgevoerd
- – hoe de monsters kunnen worden getraceerd naar het bedrijfje stal(len) van herkomst.
- – elke inzending moet vergezeld gaan van een formulier waarop de gegevens van de monsters van die dag worden geregistreerd. Hierbij dienen tevens te worden vermeld:
- – naam en/of KIP nummer herkomstbedrijf
- – bij monitoring koppelnummer(s)/stalnummer(s).
- – Een afschrift van het formulier moet op de broederij aanwezig blijven t.b.v. controle van het systeem door derden.
- – De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij een door de voorzitter erkend laboratorium.
- – De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.
- – De broederij dient een registratie bij te houden per broederij, per vermeerderjaar, per fokbedrijf en per stal, waarin alle resultaten van het Salmonellaonderzoek (ook de negatieve) worden vastgelegd. Deze dienen minimaal twee jaar na ruimen van het desbetreffende koppel te worden bewaard (i.v.m. traceringsonderzoeken en systeemcontrole).
- – De monsters worden door een door de voorzitter erkend laboratorium geanalyseerd op aan- of afwezigheid van Salmonella. Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt door een door de voorzitter erkend laboratorium geanalyseerd om welk serotype het gaat.