Art. 6 Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie

Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie

1. Subsidiabele projectkosten zijn uitsluitend:

a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de aanvrager na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten:

1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel uitgaande van een uurloon zoals weergegeven in de loonstaat ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;

2°. kosten van aanschaf van benodigde materialen en hulpmiddelen gebaseerd op historische aanschafprijzen;

3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur, die niet geheel voor het project zijn aangeschaft;

4°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip gebruikelijke boekhoudkundige praktijk en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;

5°. kosten van machines en apparatuur, die geheel voor het project zijn aangeschaft;

6°. aan derden verschuldigde kosten en kosten van gebruik van apparatuur bij kennisinstellingen en ondernemers;

7°. kosten van octrooiaanvraag;

8°. omzetbelasting indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen;

b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 25 procent van de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° bedoelde loonkosten.

2. De subsidieaanvrager kan bij de subsidieaanvraag een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en de algemene kosten te mogen vervangen door een in zijn organisatie gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dat verzoek gaat vergezeld van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze daarvan en een goedkeurende accountantsverklaring.