Bijlage 2 Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs: behorende bij artikel 2 van de Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs
Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs
De zes algemene onderwijsdoelen die voor alle vakken en profielen in het vmbo gelden, zijn: Hieronder worden de examenprogramma's per vak gedefinieerd in exameneenheden met de bijbehorende code. Elke exameneenheid bestaat uit één of meer eindtermen. In de kolommen achter de exameneenheden staat aangegeven door middel van een X voor welke leerweg de exameneenheid deel uitmaakt van het examenprogramma. Het centraal examen voor een vak of programma per leerweg heeft betrekking op die exameneenheden die aangeduid zijn met CE. Het schoolexamen voor een bepaalde leerweg heeft voor de algemeen vormende vakken in ieder geval betrekking op exameneenheid K3 (Leervaardigheden) en voor de beroepsgerichte vakken op exameneenheid K2 (Professionele vaardigheden). Daarnaast heeft het schoolexamen betrekking op: Bij de uitvoering van het examenprogramma Nederlandse taal worden de referentieniveaus Nederlandse taal in acht genomen, bedoeld in artikel 2, onderdelen e en f, van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. BB KB GL/TL NE/K/1 Oriëntatie op leren en werken De kandidaat kan zich oriënteren op de eigen loopbaan en het belang van Nederlands in de maatschappij. X X X NE/K/2 Basisvaardigheden De kandidaat kan basisvaardigheden toepassen die betrekking hebben op communiceren, samenwerken, en informatie verwerven, verwerken en presenteren. X X X NE/K/3 Leervaardigheden in het vak Nederlands CE CE CE De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot: het bereiken van verschillende lees-, schrijf-, luister- en kijk-, en spreek-en gespreksdoelen de bevordering van het eigen taalleerproces het compenseren van eigen tekortschietende taalkennis of communicatieve kennis. X X X NE/K/4 Luister- en kijkvaardigheid ¹ CE CE CE De kandidaat kan: luister- en kijkstrategieën hanteren compenserende strategieën kiezen en hanteren het doel van de makers van een programma aangeven de belangrijkste elementen van een programma weergeven een oordeel geven over een p
- 1 Werken aan vakoverstijgende thema's De leerling leert, in het kader van een brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan:
- 1.1 het kennen van en omgaan met eigen en andermans normen en waarden;
- 1.2 het onderkennen van en omgaan met de verschillen tussen de seksen;
- 1.3 de relatie tussen de mens en de natuur en het concept van duurzame ontwikkeling;
- 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in internationaal verband;
- 1.5 het op een voor henzelf en anderen veilige manier functioneren in de beroepspraktijk en in eigen omgeving;
- 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie;
- 1.7 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid;
- 1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media.
- 2 Leren uitvoeren De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van ICT, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om:
- 2.1 Nederlandse en Engelse teksten lezen en beluisteren;
- 2.2 schriftelijke en mondelinge teksten produceren in correct Nederlands;
- 2.3 informatie in verschillende gegevensbestanden opzoeken, selecteren, verzamelen en ordenen;
- 2.4 de rekenvaardigheden hoofdrekenen, rekenregels gebruiken, meten en schatten toepassen;
- 2.5 voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie;
- 2.6 doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur;
- 2.7 Computervaardigheden.
- 3 Leren leren De leerling leert, mede met gebruikmaking van ICT, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leer- en werkproces kunnen verbeteren. Het gaat daarbij om:
- 3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten;
- 3.2 strategieën gebruiken voor het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden zoals memoriseren, aantekeningen maken, schematiseren, verbanden leggen met aanwezige kennis;
- 3.3 strategieën gebruiken voor het begrijpen van mondelinge en schriftelijke informatie;
- 3.4 op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen;
- 3.5 een eenvoudig bedrijfsmatig, natuurwetenschappelijk of maatschappelijk vraagstuk planmatig onderzoeken;
- 3.6 persoonlijke ervaringen en opdrachten van anderen verwerken in woord, klank, beeld en beweging;
- 3.7 op basis van argumenten tot een eigen standpunt komen.
- 4 Leren communiceren De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij om:
- 4.1 elementaire sociale conventies in acht nemen;
- 4.2 overleggen en samenwerken in teamverband;
- 4.3 passende gesprekstechnieken hanteren;
- 4.4 verschillen in meningen en opvattingen benoemen en hanteren;
- 4.5 culturele en seksegebonden verschillen tussen mensen benoemen en hanteren;
- 4.6 omgaan met formele en informele afspraken, regels en procedures;
- 4.7 zichzelf en eigen werk presenteren.
- 5 Leren reflecteren op het leer- en werkproces De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leer- en werkproces. Het gaat daarbij om:
- 5.1 een leer- en/of werkplanning maken;
- 5.2 het leer- en/of werkproces bewaken;
- 5.3 een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken.
- 6 Leren reflecteren op de toekomst De leerling leert, door te reflecteren op het eigen cognitief en emotioneel functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan:
- 6.1 het inventariseren van de eigen mogelijkheden en interesses;
- 6.2 het onderzoeken van de mogelijkheden voor verdere studie;
- 6.3 het zicht krijgen op beroepen, de beroepspraktijk en actuele ontwikkelingen daarbinnen;
- 6.4 de rol en het belang van op school geleerde kennis, inzicht en vaardigheden voor het maatschappelijk leven, dagelijks leven, vrije tijd, vrijwilligerswerk;
- 6.5 de kenmerken van de arbeidsmarkt op dit moment en in de nabije toekomst;
- 6.6 de organisatie van branches en bedrijven;
- 6.7 het beoordelen van de eigen mogelijkheden en interesses in het licht van vervolgstudie, beroepen en maatschappelijk functioneren;
- 6.8 het kunnen maken van een verantwoorde keuze voor een vervolgopleiding.
- 6.9 Voor vmbo-tl: het kunnen vastleggen van de loopbaanontwikkeling in een loopbaandossier zoals bedoeld in bijlage 3.
- • ten minste die exameneenheden die deel uitmaken van het examenprogramma van deze leerweg voor zover zij niet deel uitmaken van het centraal examen voor die leerweg;
- • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest, een of meer exameneenheden waarop het centraal examen betrekking heeft;
- • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen die relevant zijn voor het betreffende vak of examenprogramma, die per kandidaat kunnen verschillen.
- • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
- • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
- • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
- • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
- • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.
- • evalueren van proces en resultaat;
- • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
- • benoemen van de eigen kwaliteiten;
- • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
- • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.
- • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
- • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
- • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
- • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.
- • organiseren van samenwerking;
- • voeren van een dialoog;
- • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
- • geven, ontvangen en verwerken van feedback.
- • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
- • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.
- • uitvoeren van berekeningen in de context;
- • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.
- • kiezen van passende hardware en software;
- • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
- • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.
- • selecteren, vergelijken en ordenen;
- • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
- • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
- • benoemen van oorzaken en gevolgen;
- • gebruiken van structuren en schema’s.
- • onderscheiden van verschillende perspectieven;
- • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
- • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.
- • experimenteren met materialen en middelen;
- • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
- • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.
- • stellen van een onderzoeksvraag;
- • verzamelen van informatie;
- • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
- • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
- • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.
- • genereren van ideeën en schetsen, rekening houdend met het programma van eisen;
- • beoordelen of ideeën en schetsen passen bij het programma van eisen;
- • onderbouwen van de keuze voor één idee en schets;
- • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
- • visualiseren van het concept in een CAD-tekening.
- • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
- • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
- • uitvoeren volgens het plan van aanpak en een werktekening, gebruikmakend van persoonlijke beschermingsmiddelen;
- • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.
- • genereren van ideeën op basis van behoefteonderzoek;
- • omzetten van ideeën naar bouwkundige oplossingen;
- • beoordelen van bouwkundige oplossingen op basis van organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
- • presenteren van verschillende bouwkundige oplossingen.
- • genereren van ideeën op basis van marktonderzoek;
- • omzetten van ideeën naar opties;
- • beoordelen van opties op basis van eigenschappen, levensduur en herkomst van bouwmaterialen;
- • presenteren van verschillende opties.
- • verzamelen van bouwelementen en gereedschappen;
- • koppelen van bouwelementen volgens een montagetekening, rekening houdend met veiligheidsvoorschriften;
- • evalueren van de uitgevoerde montage.
- • inspecteren van de huidige situatie;
- • controleren van de functionaliteit;
- • vaststellen van de te volgen procedure;
- • demonteren, monteren en afstellen van onderdelen;
- • evalueren van de uitgevoerde procedure.
- • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
- • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
- • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
- • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
- • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.
- • evalueren van proces en resultaat;
- • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
- • benoemen van de eigen kwaliteiten;
- • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
- • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.
- • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
- • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
- • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
- • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.
- • organiseren van samenwerking;
- • voeren van een dialoog;
- • ondersteunen van anderen in de samenwerking;
- • geven, ontvangen en verwerken van feedback.
- • afstemmen van taal op doel, gesprekspartner en context;
- • mondeling en schriftelijk presenteren van zichzelf en het eigen werk.
- • uitvoeren van berekeningen in de context;
- • interpreteren van grafieken, tabellen en diagrammen.
- • kiezen van passende hardware en software;
- • delen van data, informatie en digitale content met bron- en naamsvermelding;
- • beschermen van persoonlijke gegevens en privacy in digitale omgevingen.
- • selecteren, vergelijken en ordenen;
- • onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
- • benoemen van overeenkomsten en verschillen;
- • benoemen van oorzaken en gevolgen;
- • gebruiken van structuren en schema’s.
- • onderscheiden van verschillende perspectieven;
- • wegen van betekenissen, belangen, waarden en overtuigingen;
- • innemen van een standpunt op basis van informatie en argumenten.
- • experimenteren met materialen en middelen;
- • genereren van inzichten, verbanden en oplossingen;
- • gebruiken van technieken die divergerend en convergerend denken ondersteunen.
- • stellen van een onderzoeksvraag;
- • verzamelen van informatie;
- • wegen van informatie op betrouwbaarheid en bruikbaarheid;
- • beantwoorden van een onderzoeksvraag;
- • bepalen van vervolgstappen op basis van een onderzoeksresultaat.
- • genereren van ideeën, rekening houdend met het programma van eisen;
- • beoordelen of ideeën passen bij het programma van eisen;
- • onderbouwen van de keuze voor één idee;
- • omzetten van het gekozen idee naar een concept;
- • visualiseren van het concept in een schaalmodel.
- • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
- • verzamelen van duurzame materialen en gereedschappen;
- • uitvoeren volgens het plan van aanpak;
- • testen en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.
- • opstellen van een plan van aanpak op basis van een ontwerp;
- • verzamelen van audio- en beeldmateriaal;
- • samenvoegen van audio- en beeldmateriaal tot een geheel, gebruikmakend van in de creatieve industrie gangbare apparatuur en software;
- • opmaken van een definitief ontwerp volgens technische eisen, gebruikmakend van in de creatieve industrie gangbare apparatuur en software;
- • controleren en bijstellen van het product op basis van het programma van eisen.
- • genereren van ideeën op basis van gebruikersonderzoek;
- • omzetten van ideeën naar aanpassingen;
- • beoordelen van aanpassingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid en duurzaamheid;
- • presenteren van verschillende aanpassingen.
- • inventariseren van oplossingen voor publieksstromen en beveiliging op basis van een risicoanalyse;
- • beoordelen van oplossingen op basis van financiële en organisatorische haalbaarheid met behulp van een expert;
- • opstellen van een plan van aanpak voor de organisatie van het evenement;
- • presenteren van het plan van aanpak.
- • inventariseren van de doelstelling aan de hand van een doelgroepenonderzoek;
- • selecteren van een activiteit passend bij de doelstelling en doelgroep;
- • opstellen van een kostenoverzicht voor de locatie, begeleiding en materialen;
- • opstellen van een draaiboek;
- • uitvoeren van de activiteit.
- • oriënteren op de sector, de branche en het werkveld waarin de opdrachtgever werkzaam is;
- • beschrijven van producten, diensten en doelgroep van de opdrachtgever;
- • inventariseren van taken en functies binnen de organisatie van de opdrachtgever inclusief de bij die functies behorende opleidingen;
- • waarderen van ervaringen met externe opdrachtgevers;
- • verbanden leggen tussen ervaringen en persoonlijke interesses.
- • evalueren van proces en resultaat;
- • reflecteren op de eigen bijdrage aan proces en resultaat;
- • benoemen van de eigen kwaliteiten;
- • verbanden leggen tussen de eigen kwaliteiten, vervolgopleidingen en toekomst op de arbeidsmarkt;
- • formuleren van een persoonlijk leerdoel voor verdere ontwikkeling van kwaliteiten.
- • inleven in emoties, situaties en belevingswereld van anderen;
- • uitdrukken van gedachten, gevoelens en ervaringen;
- • afstemmen van handelen op mensen en situaties;
- • bijdragen aan een veilig klimaat en een taakgerichte werksfeer.
- • organiseren van samenwerking;
- • voeren van een dialoog;