Bijlage 1 Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs: behorende bij artikel 1 van de Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs
Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs
Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Leesvaardigheid Domein B Mondelinge taalvaardigheid Domein C Schrijfvaardigheid Domein D Argumentatieve vaardigheden Domein E Literatuur Domein F Oriëntatie op studie en beroep. Bij de uitvoering van het examenprogramma worden de referentieniveaus Nederlandse taal in acht genomen, bedoeld in artikel 2, onderdeel c en onderdeel d, van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op domein A en domein D voor zover het analyseren en beoordelen betreft. Het schoolexamen Het schoolexamen heeft betrekking op: Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Leesvaardigheid Domein B Kijk-en luistervaardigheid Domein C Gespreksvaardigheid Domein D Schrijfvaardigheid Domein E Literatuur Domein F Oriëntatie op studie en beroep. Het centraal examen heeft betrekking op domein A. Het schoolexamen heeft betrekking op: Ingangsdatum: augustus 2014 Eerste examenjaar: 2017 Griekse taal en cultuur (GTC) vwo Latijnse taal en cultuur (LTC) vwo Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen: Domein A Reflectie op klassieke teksten (subdomein 1) en antieke cultuur (subdomein 2) Domein B Reflectie op relaties tussen de antieke cultuur en de latere Europese cultuur Domein C Zelfstandige oordeelsvorming Domein D Oriëntatie op studie en beroep Domein E Informatievaardigheden. Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen A (subdomein 1: reflectie op klassieke teksten), B1Voor zover dat mogelijk is, gelet op het karakter van het centraal examen. (B.3) en C (C.5). Het centraal examen heeft betrekking op authentieke en vertaalde teksten van een of meer auteurs, behorend tot eenzelfde genre. Het CvE stelt het aantal en de tijdsduur van de z
- 1. Nederlandse taal en literatuur
- 2. moderne vreemde talen en literatuur (niet: elementair)
- 3. Latijnse/Griekse taal en cultuur
- 4. Chinese taal en cultuur vwo
- 5. Friese taal en cultuur/ Fryske taal en kultuer
- 6. maatschappijleer
- 7. algemene natuurwetenschappen
- 8. culturele en kunstzinnige vorming
- 9. lichamelijke opvoeding
- 10. wiskunde A
- 11. wiskunde B
- 12. wiskunde C
- 13. wiskunde D
- 14. natuurkunde
- 15. scheikunde
- 16. biologie
- 17. natuur, leven en technologie
- 18. informatica
- 19. aardrijkskunde
- 20. geschiedenis
- 21. economie
- 22. bedrijfseconomie
- 23. maatschappijwetenschappen
- 24. filosofie
- 25. kunst (algemeen)
- 26. kunst (beeldende vormgeving)
- 27. kunst (muziek)
- 28. kunst (drama)
- 29. kunst (dans)
- 30. muziek
- 31. tekenen
- 32. handvaardigheid
- 33. textiele vormgeving
- 34. moderne vreemde talen en literatuur (elementair)
- 35. Chinese taal en cultuur vwo (elementair)
- 36. bewegen, sport en maatschappij
- 37. praktijkgericht vak maatschappij: 360
- 38. praktijkgericht vak maatschappij: 120
- 39. praktijkgericht vak technologie: 360
- 40. praktijkgericht vak technologie: 120
- – de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.
- 1. De kandidaat kan:
- – vaststellen tot welke tekstsoort een tekst of tekstgedeelte behoort;
- – de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
- – relaties tussen delen van een tekst aangeven;
- – conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur;
- – standpunten en soorten argumenten herkennen en onderscheiden;
- – argumentatieschema’s herkennen.
- 2. De kandidaat kan een betogende tekst of betogend tekstgedeelte op aanvaardbaarheid beoordelen en in deze tekst drogredenen herkennen.
- 3. De kandidaat kan teksten en tekstgedeelten beknopt samenvatten.
- 4. De kandidaat kan ten behoeve van een voordracht, discussie of debat (ter keuze van de school):
- – relevante informatie verzamelen en verwerken;
- – deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek en gespreksvorm;
- – adequaat reageren op bijdragen van luisteraars of gespreksdeelnemers.
- 5. De kandidaat kan ten behoeve van een gedocumenteerde uiteenzetting, beschouwing en betoog:
- – relevante informatie verzamelen en verwerken;
- – deze informatie adequaat presenteren met het oog op doel, publiek, tekstsoort en conventies voor geschreven taal;
- – concepten van de tekst reviseren op basis van geleverd commentaar.
- 6. De kandidaat kan een betoog:
- – analyseren;
- – beoordelen;
- – zelf opzetten en presenteren, schriftelijk en mondeling.
- 7. De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met een aantal door hem geselecteerde literaire werken.
- * Minimumaantal: havo 8; vwo 12 waarvan minimaal 3 voor 1880.
- * De werken zijn oorspronkelijk geschreven in de Nederlandse taal.
- 8. De kandidaat kan literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en literaire begrippen hanteren in de interpretatie van literaire teksten.
- 9. De kandidaat kan een overzicht geven van de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis, en de gelezen literaire werken plaatsen in dit historisch perspectief.
- – de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.
- 1. De kandidaat kan:
- – aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte;
- – de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
- – de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven;
- – relaties tussen delen van een tekst aangeven;
- – conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur.
- 2. De kandidaat kan:
- – aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte;
- – de hoofdgedachte van een tekst aangeven;
- – de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven;
- – conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de spreker(s);
- – anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek;
- – aantekeningen maken als strategie om een tekst aan te pakken.
- 3. De kandidaat kan:
- – adequaat reageren in sociale contacten met doeltaalgebruikers;
- – informatie vragen en verstrekken;
- – uitdrukking geven aan gevoelens;
- – zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden;
- – strategieën toepassen om een gesprek voortgang te doen vinden.
- 4. De kandidaat kan verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden.
- 5. De kandidaat kan:
- – adequaat reageren in schriftelijke contacten met doeltaalgebruikers;
- – informatie vragen en verstrekken;
- – verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en uitdrukking geven aan gevoelens en standpunten verwoorden;
- – een verslag schrijven. Voor havo: geldt alleen voor Engelse en Turkse taal en literatuur. Voor vwo: geldt niet voor Russische taal en literatuur.
- 6. De kandidaat kan met behulp van:
- – een tekstverwerkingsprogramma een tekst schrijven;
- – (elektronisch) naslagmateriaal teksten opstellen.
- 7. De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met ten minste drie literaire werken.
- 8. De kandidaat kan literaire tekstsoorten herkennen en onderscheiden, en literaire begrippen hanteren in de interpretatie van literaire teksten.
- 9. De kandidaat kan een overzicht geven van de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis en de gelezen literaire werken plaatsen in dit historisch perspectief.
- – een selectie van circa 30 pagina’s (Oxford Classical Text) Griekse teksten. Deze selectie bevat teksten van tenminste twee genres uit de Griekse literatuur (zodanig dat samen met de auteur van het centraal examen proza én poëzie aan bod komen). Deze selectie bevat geen teksten van de auteur(s) die voor het centraal examen zijn vastgesteld, tenzij deze teksten behoren tot een ander genre en thema.
- – een selectie van tenminste 45 pagina’s klassieke, vertaalde teksten;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: toetsing van het vertalen van één of meer ongeziene passages;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: toetsing van de (creatieve) verwerking van een of meer cultuurdomeinen;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: stof van het centraal examen naast de hierboven vermelde stof voor het schoolexamen;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die eventueel per kandidaat kunnen verschillen.
- 1. De kandidaat kan zijn begrip van Griekse en klassieke, vertaalde teksten demonstreren door:
- – een ongeziene passage te vertalen;
- – een passage te analyseren en interpreteren vanuit taalkundig, letterkundig en cultuurhistorisch perspectief;
- – een passage vanuit taalkundig, letterkundig en cultuurhistorisch perspectief te vergelijken met andere cultuuruitingen uit de oudheid of latere perioden.
- 2. De kandidaat kan:
- – antieke cultuuruitingen van verschillende cultuurdomeinen plaatsen in hun historische en culturele context en met elkaar in verband brengen;
- – antieke cultuuruitingen onderzoeken en zijn bevindingen formuleren.
- 3. De kandidaat kan door de bestudering van de Griekse en klassieke, vertaalde teksten tegen de achtergrond van de antieke cultuur:
- – onderwerpen actualiseren die voortvloeien uit een confrontatie tussen deze teksten en eigentijdse ontwikkelingen;
- – de eigentijdse cultuur plaatsen in het perspectief van de klassieke traditie waarin Europa staat.
- 4. (Alleen van toepassing op het schoolexamen):
- – voorbeelden uit de receptiegeschiedenis herkennen, deze plaatsen in de context van de betreffende periode in de Europese cultuur en de van toepassing zijnde werkingsmechanismen noemen;
- – cultuuruitingen uit de latere Europese cultuur vergelijken met antieke cultuuruitingen.
- 5. De kandidaat kan een beargumenteerde reactie formuleren op de inhoud van voorgelegde teksten en andere cultuuruitingen (uit de Oudheid en latere tijden).
- 6. (Alleen van toepassing op het schoolexamen) De kandidaat kan cultuuruitingen uit de latere Europese cultuur vergelijken met antieke cultuuruitingen en daarover een beargumenteerd oordeel geven.
- 7. De kandidaat kan:
- – doelgericht informatie en bronnenmateriaal zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken, o.a. met behulp van het woordenboek;
- – (verworven) informatie verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken;
- – gebruik maken van verschillende ICT-toepassingen bij GTC;
- – adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied;
- – bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.
- – de domeinen A, B, C, D en E. Deze domeinen komen aan de orde aan de hand van een selectie van tenminste 30 pagina’s (Oxford Classical Text) Latijnse teksten. Deze selectie bevat teksten van tenminste twee genres uit de Latijnse literatuur (zodanig dat samen met de auteur van het centraal examen proza én poëzie aan bod komen).
- – een selectie van tenminste 45 pagina’s klassieke, vertaalde teksten;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: toetsing van het vertalen van één of meer ongeziene passages;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: toetsing van de (creatieve) verwerking van een of meer cultuurdomeinen;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: stof van het centraal examen naast de hierboven vermelde stof voor het schoolexamen;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die eventueel per kandidaat kunnen verschillen.
- 1. De kandidaat kan zijn begrip van Latijnse en klassieke, vertaalde teksten demonstreren door:
- – een ongeziene passage te vertalen;
- – een passage te analyseren en interpreteren vanuit taalkundig, letterkundig en/of cultuurhistorisch perspectief;
- – een passage vanuit taalkundig, letterkundig en cultuurhistorisch perspectief te vergelijken met andere cultuuruitingen uit de oudheid of latere perioden.
- 2. De kandidaat kan:
- – antieke cultuuruitingen van verschillende cultuurdomeinen plaatsen in hun historische en culturele context en met elkaar in verband brengen;
- – antieke cultuuruitingen onderzoeken en zijn bevindingen formuleren.
- 3. De kandidaat kan door de bestudering van de Latijnse en klassieke, vertaalde teksten tegen de achtergrond van de antieke cultuur:
- – onderwerpen actualiseren die voortvloeien uit een confrontatie tussen deze teksten en eigentijdse ontwikkelingen;
- – de eigentijdse cultuur plaatsen in het perspectief van de klassieke traditie waarin Europa staat.
- 4. (Alleen van toepassing op het schoolexamen):
- – voorbeelden uit de receptiegeschiedenis herkennen, deze plaatsen in de context van de betreffende periode in de Europese cultuur en de van toepassing zijnde werkingsmechanismen noemen;
- – cultuuruitingen uit de latere Europese cultuur vergelijken met antieke cultuuruitingen
- 5. De kandidaat kan een beargumenteerde reactie formuleren op de inhoud van voorgelegde teksten en andere cultuuruitingen (uit de Oudheid en latere tijden).
- 6. (Alleen van toepassing op het schoolexamen) De kandidaat kan cultuuruitingen uit de latere Europese cultuur vergelijken met antieke cultuuruitingen en daarover een beargumenteerd oordeel geven
- 7. De kandidaat kan:
- – doelgericht informatie en bronnenmateriaal zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken, o.a. met behulp van het woordenboek
- – (verworven) informatie verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken;
- – gebruik maken van verschillende ICT-toepassingen bij LTC;
- – adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.
- – bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces
- – ten minste alle domeinen van het eindexamen;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.
- 1. De kandidaat kan:
- – aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte;
- – de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
- – de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven;
- – relaties tussen delen van een tekst aangeven;
- – conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur.
- 2. De kandidaat kan:
- – aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte;
- – de hoofdgedachte van een tekst aangeven;
- – de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven;
- – conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de spreker(s);
- – anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek;
- – aantekeningen maken als strategie om een tekst aan te pakken.
- 3. De kandidaat kan:
- – adequaat reageren in sociale contacten met doeltaalgebruikers;
- – informatie vragen en verstrekken;
- – uitdrukking geven aan gevoelens;
- – zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden;
- – strategieën toepassen om een gesprek voortgang te doen vinden.
- 4. De kandidaat kan verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en standpunten en argumenten verwoorden.
- 5. De kandidaat kan met gebruik van handmatig geschreven karakters:
- – adequaat reageren in schriftelijke contacten met doeltaalgebruikers;
- – informatie vragen en verstrekken;
- – verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en uitdrukking geven aan gevoelens en standpunten verwoorden.
- 6. De kandidaat kan met behulp van een Chinese elektronische tekstverwerker en (elektronisch) naslagmateriaal:
- – adequaat reageren in schriftelijke contacten met doeltaalgebruikers;
- – informatie vragen en verstrekken;
- – verworven informatie adequaat presenteren met het oog op doel en publiek, en daarbij zaken of personen beschrijven en uitdrukking geven aan gevoelens en standpunten verwoorden.
- 7. De kandidaat kan beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met ten minste drie literaire werken.
- 8. De kandidaat kan:
- – (door middel van voorbeelden) een overzicht geven van uiteenlopende Chinese cultuuruitingen;
- – beargumenteerd verslag uitbrengen van zijn ervaringen met enkele Chinese cultuuruitingen.
- – de domeinen E (behalve het gecursiveerde deel) en F, en ten minste twee domeinen uit de domeinen B, C, D en E (het gecursiveerde deel);
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: het domein A, waarop het centraal examen betrekking heeft;
- – indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.
- 1. De kandidaat kan van in het Fries geschreven artikelen en verslagen:
- – de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
- – relaties tussen delen van een tekst aangeven;
- – conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur;
- – standpunten en argumenten herkennen en onderscheiden.
- 2. De kandidaat kan van een in het Fries gesproken betoog of uiteenzetting: