Bijlage 1 Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring humanitaire hulp 2007: beleidsregels Humanitaire Hulp 2007 en annexen
Besluit vaststelling beleidsregels subsidiëring humanitaire hulp 2007
In deze beleidsregels voor humanitaire hulp wordt het beleid van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking met betrekking tot subsidieverlening ten behoeve van humanitaire hulp vastgelegd en publiek toegankelijk gemaakt. Deze beleidsregels dienen zowel als hulpmiddel bij het indienen van subsidieaanvragen als bij het beoordelen ervan. De indeling van dit beleidskader is als volgt: Hoofdstuk 1 geeft aan wat de algemene doelstellingen zijn van humanitaire hulp en welke strategie Nederland daarbij hanteert. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen chronische crises waaraan Nederland specifiek aandacht besteedt, overige crisissituaties en acute crisissituaties. Hoofdstuk 2 behandelt sectoren, criteria en kanaalkeuze. De annexen gaan in op de situatie in een aantal belangrijke crisisgebieden en bevatten zonodig aanvullende voorwaarden. In hoofdstuk 3 komen de overige crisissituaties aan bod waarvoor geen aparte annex is opgevoerd. Dit hoofdstuk behandelt het Nederlands beleid ten aanzien van humanitaire hulp in dergelijke situaties, inclusief de criteria die hierbij worden gehanteerd. Het beleid van Nederland voor humanitaire hulp ten aanzien van acute crisissituaties wordt beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 4 betreft acute rampen, inclusief kanaalkeuze, (paragraaf 4.4). De hoofddoelstelling van humanitaire hulp is de optimale leniging van levensbedreigende menselijke noden onder de meest kwetsbaren, waaronder met name vrouwen en kinderen, als gevolg van (chronische) crisissituaties en/of natuurrampen. In principe kan hulp wereldwijd worden verleend. Er is bijzondere aandacht voor een aantal specifieke crisisgebieden in ontwikkelingslanden. Daarnaast bestaat er een aparte faciliteit voor humanitair ontmijnen. Nederland onderschrijft en hanteert de volgende internationale humanitaire hulpprincipes: De strategie van de Nederlandse humanitaire hulp is gericht op versterking en uitbouw van een gemeenschappelijke, gecoördineerde benadering door alle betrokken hulpverlenend
- – De humanitaire respons op crises is uitsluitend gemotiveerd door het streven om het menselijk lijden van de meest kwetsbaren in het getroffen gebied te verlichten (het humanitair imperatief);
- – Het humanitaire hulpaanbod dient altijd aangepast en afgestemd te zijn op plaatselijke omstandigheden en gebruiken, waar mogelijk ter versterking van de bestaande capaciteit en van de zelfredzaamheid alsmede ter voorkoming van donorafhankelijkheid;
- – Humanitaire hulp dient onpartijdig te zijn: hulp wordt niet verstrekt ter bevordering van politieke of andere externe agenda’s en dient te worden verleend zonder onderscheid op basis van bijvoorbeeld ras, religie, politieke overtuiging, sekse, etcetera;
- – Humanitaire hulp dient onafhankelijk te functioneren van politieke invloeden (zowel vanuit Nederland als vanuit de getroffen landen);
- – In een conflictsituatie dient soevereiniteit van het desbetreffende land ondergeschikt te zijn aan de noodzaak tot verlening van onbelemmerde en onpartijdige humanitaire hulp, waartoe vrije toegang tot de getroffen bevolking is vereist;
- – Humanitaire hulp dient evenredig te zijn aan de behoefte (demand driven) en is dus niet aanbodgestuurd (supply-driven).
- – Activiteiten dienen uiteraard te voldoen aan de in paragraaf 1.1. genoemde internationale humanitaire hulpprincipes en aan toepasselijke regelgeving met betrekking tot het verlenen van subsidies (de Algemene wet bestuursrecht, de Kaderwet Subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006);
- – De activiteiten zijn van beperkte duur; uit Nederlandse humanitaire hulp fondsen worden geen structurele projecten gesubsidieerd. In de meeste gevallen is het mogelijk om voorstellen in te dienen met een looptijd van maximaal 24 maanden (zie hiervoor de annexen). Daar waar sprake is van een langdurige crisis heeft voortzetting van relevante activiteiten, mits de uitvoering adequaat is bevonden, prioriteit boven subsidiëring van nieuwe activiteiten; Bij het beoordelen van aanvragen wordt gekeken naar eventuele negatieve effecten van humanitaire hulp (de zogenaamde ‘do no harm’-principes), mede met het oog op de duurzaamheid van de resultaten;
- – Voorstellen bevatten een beknopte analyse van de noden en een duidelijk omschreven doelgroep;
- – De beoogde activiteiten zijn gekoppeld aan duidelijk omschreven verwachte resultaten, doelen, instrumenten en indicatoren;
- – Voorstellen hebben oog voor de zogenaamde ‘gap’-problematiek: het is van belang dat waar mogelijk een zo goed mogelijke overgang van acute noodhulp naar rehabilitatie wordt gemaakt en dat, waar mogelijk, aanknopingspunten voor wederopbouw worden geboden, overigens zonder dat dit automatisch subsidiëring van het vervolgtraject impliceert;
- – In de landen die voorkomen op de lijst voor rehabilitatieactiviteiten in het kader van het Medefinancieringsstelsel1www.minbuza.nl/nl/ontwikkelingssamenwerking/subsidies, medefinancieringsstelsel_xmfsx_2007_2010/index.html en waar dergelijke activiteiten worden uitgevoerd, zal bijzondere aandacht worden geschonken aan de ‘gap-problematiek’;
- – Een exitstrategie maakt deel uit van het projectvoorstel;
- – Projectvoorstellen dienen aandacht te schenken aan de HIV/Aids-problematiek. Zie hiervoor ook de Guidelines for HIV/AIDS interventions in emergency settings van de Inter-Agency Standing Committee;
- – Projectvoorstellen dienen aandacht te hebben voor de problematiek van gender en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SGRG). Zie hiervoor ook het IASC Gender Handbook for Humanitarian Action van augustus 2006 (nog in concept).
- – Een projectvoorstel bevat een duidelijke en sluitende begroting die gekoppeld is aan de activiteiten. Elke budgetlijn die niet voor zich spreekt, wordt duidelijk uitgelegd;
- – In het budget kunnen slechts kosten worden opgenomen die direct zijn gerelateerd aan het project. Identificatiemissies ter verkenning van de noden komen niet voor subsidie in aanmerking;
- – Met ingang van 2005 is het stramien voor indiening van voorstellen en rapportages aangepast. Voorstellen die niet of onvolledig aan deze herziene voorschriften voldoen, worden niet in behandeling genomen. Ter onderstreping van dit punt is in 2006 een herziene editie van de ‘Stroomlijningsnotitie’ beschikbaar gekomen. Deze notitie is tevens als bijlage bij dit besluit gevoegd.
- – Sinds 2006 wordt uitgegaan van cofinanciering door tenminste één andere donor, of van een substantiële eigen bijdrage van de aanvragende organisatie aan het totale project- of programmabudget (in beide gevallen minimaal 20%).
- – Ervaring en een goede track record in het desbetreffende gebied (de betrouwbaarheid van de subsidieaanvrager);
- – Aantoonbare kennis en expertise met de desbetreffende problematiek (de geschiktheid van de subsidieaanvrager);
- – Voldoende implementatiecapaciteit van de subsidieaanvrager;
- – Een positieve beoordeling van de structuur van, de strategie en de financiële capaciteit van de aanvragende organisatie aan de hand van de Checklist Organisational Capacity Assessment (COCA);
- – Deelname door de subsidieaanvrager, of de lokale partij, aan het Common Humanitarian Action Plan (CHAP), of aan een andersoortig coördinatieplatform o.l.v. de VN Humanitarian Coordinator, indien dat er is. Dit omvat mede participatie in het Joint Needs Assessment Framework, indien dit door de VN in het desbetreffende land wordt toegepast. Uitzonderingen hierop dienen te worden onderbouwd.
- – Het projectvoorstel bevat een specificatie van eigendom en beheer van eventuele roulerende fondsen na afloop van het project;
- – De looptijd van het project is maximaal 24 maanden;
- – Het voorstel is gebaseerd op een sobere benadering: lage investeringskosten, relatief kleine leningen met korte terugbetalingschema’s ten behoeve van ‘vervoerbare’ productiemiddelen (d.w.z. geen zware machines).
- – Aard en stadium van het conflict (en eerdere Nederlandse betrokkenheid);
- – VN-strategie en kwaliteit van het CAP;
- – Omvang van de Nederlandse betrokkenheid in relatie tot de inzet van andere donoren;
- – Duur van de Nederlandse steun in relatie tot de vooruitzichten op zelfredzaamheid van het desbetreffende land;
- – Mogelijkheden voor parallelle inzet van politieke, militaire en andere middelen.
- – De vraag of het getroffen land een verzoek om internationale steun heeft ingediend (bij uitzondering kunnen ook verzoeken van OCHA en IFRC doorslaggevend zijn);
- – De relatieve ernst en omvang van de noodsituatie;
- – De draagkracht van de lokale overheid en lokale organisaties (de eigen lokale capaciteit en mogelijkheden om met lokale middelen te reageren);
- – De bijdragen van andere landen/donoren (o.a. de Europese Unie).
- – Onderdak;
- – Voedsel en voedselzekerheid;
- – (Reproductieve) gezondheidszorg;
- – Water & sanitatie;
- – Protectie;
- – Terugkeer en hervestiging van vluchtelingen en ontheemden.