Art. 76 Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters, Bijzondere bepalingen voor vloeistofhoogtemeters met elektronische componenten
Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters
1. De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in de vrije atmosfeer, bestaat uit:
a. een stabiele omgevingstemperatuur van +55 °C en een relatieve vochtigheid van 19% gedurende 2 uur;
b. een stabiele omgevingstemperatuur van –25 °C gedurende 2 uur;
c. een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 93% gedurende een periode van 4 dagen;
d. plaatsing van de elektronische inrichting in een ruimte met een temperatuur van 25 °C ± 3 °C en een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, gevolgd door twee cycli van 24 uur, waarin achtereenvolgens:
1°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd tot 55 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 93% bedraagt;
2°. de temperatuur van 55 °C ± 2 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93% ± 3%;
3°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C ± 3 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt;
4°. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.
2. De luchtvochtigheid wordt zodanig geregeld, dat condensvorming mogelijk blijft.