Bijlage II Regeling melding voorvallen in de burgerluchtvaart
Regeling melding voorvallen in de burgerluchtvaart
Noot 1: Ofschoon de meeste voorvallen die gemeld moeten worden in deze bijlage voorkomen, kan deze niet absoluut volledig zijn. Andere voorvallen die volgens de betrokkenen aan de criteria voldoen, moeten eveneens worden gemeld. Noot 2: Deze bijlage heeft geen betrekking op de ongevallen en ernstige incidenten. Naast andere voorschriften betreffende het melden van ongevallen, moeten ook deze ongevallen in de in artikel 5, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/42/EG bedoelde databanken worden opgeslagen. Noot 3: Deze bijlage bevat ook voorvallen in verband met ANS die een reële of potentiële bedreiging vormen voor de vliegveiligheid of die het leveren van veilige ANS-diensten in gevaar kunnen brengen. Noot 4: De inhoud van deze bijlage neemt niet weg dat melding moet worden gemaakt van voorvallen, situaties of toestanden die bij herhaling in andere doch vergelijkbare omstandigheden, of wanneer zij kunnen voortbestaan zonder te worden verholpen, een gevaar voor de veiligheid van het luchtvaartuig zouden kunnen opleveren. Dit aanhangsel bevat voorbeelden van te melden ATM-voorvallen ingevolge de toepassing van de algemene criteria van punt 3) van bijlage II op de vluchtuitvoering.
- 1. Bijna-botsing (omvat specifieke situaties waarin een luchtvaartuig en een ander luchtvaartuig/de grond/een voertuig/persoon of voorwerp zich te dicht bij elkaar bevinden):
- a. overschrijding van de minimale separatieafstand,
- b. onvoldoende separatie,
- c. maar net voorkomen van ‘controlled flight into terrain’ (Near CFIT),
- d. mensen op start- of landingsbaan, waardoor een uitwijkmanoeuvre moest worden uitgevoerd.
- 2. Potentiële botsing of bijna-botsing (omvat specifieke situaties waarin zich potentieel een ongeval of een bijna-botsing kan voordoen, indien een ander luchtvaartuig zich in de nabijheid bevindt):
- a. mensen op start- of landingsbaan, zonder dat een uitwijkmanoeuvre hoeft te worden uitgevoerd,
- b. luchtvaartuig overschrijdt start- of landingsbaan,
- c. luchtvaartuig wijkt af van ATC-clearance,
- d. luchtvaartuig wijkt af van geldende Air Traffic Management-voorschriften,
- 1°. luchtvaartuig wijkt af van geldende voorgeschreven ATM-procedures,
- 2°. niet-toegestane penetratie van het luchtruim,
- 3°. luchtvaartuig wijkt af van ATM gerelateerde regels voor uitrusting, vervoer en operaties, zoals voorzien in de geldende voorschriften, voor dat bepaalde vaartuig.
- 3. Specifieke ATM-voorvallen (omvat situaties waarin de mogelijkheid om veilige ATM-diensten te leveren, wordt belemmerd, met inbegrip van situaties waarin de veiligheid van het luchtvaartuig per toeval niet in gevaar is gebracht). Hieronder worden de volgende voorvallen verstaan:
- a. onmogelijkheid om ATM-Services te leveren,
- 1°. onmogelijkheid om Air Traffic Services te leveren
- 2°. onmogelijkheid om Airspace Management Services te leveren,
- 3°. onmogelijkheid om Air Traffic Flow Management Services te leveren;
- b. gebrekkige werking van communicatiefunctie;
- c. gebrekkige werking van controlefunctie;
- d. gebrekkige werking van gegevensverwerking en -doorgeleiding;
- e. gebrekkige werking van navigatiefunctie;
- f. ATM-systeembeveiliging.
- 1. Significant onjuiste, onvoldoende of misleidende gegevens van bronnen op de grond, bv. luchtverkeersleiding (ATC), automatische terminalinformatiedienst (ATIS), meteorologische diensten, navigatiedatabases, kaarten, grafieken, handleidingen, enz.
- 2. Terrein wordt niet voldoende vrijgegeven zoals voorgeschreven.
- 3. Onjuiste drukreferentiegegevens (instelling hoogtemeter).
- 4. Onjuiste doorgeleiding, ontvangst of interpretatie van belangrijke berichten, indien zulks tot een gevaarlijke situatie leidt.
- 5. Overschrijding van de minimale separatieafstand.
- 6. Niet-toegestane penetratie van het luchtruim.
- 7. Ongeoorloofde transmissie van radiocommunicatie.
- 8. Gebrekkige werking van ANS-voorzieningen op de grond of via satelliet.
- 9. Ernstig gebrek op het gebied van ATC/ATM of ernstige beschadiging van de luchthaveninfrastructuur.
- 10. Luchtvaartuigen, voertuigen, dieren of vreemde voorwerpen versperren verkeersruimten op de luchthaven, zodat een gevaarlijke of potentieel gevaarlijke situatie ontstaat.
- 11. Verkeerde of onvoldoende markering van obstructies of gevaar in verkeersruimten op de luchthaven, zodat een gevaarlijke situatie ontstaat.
- 12. Storing, slechte werking of uitvallen van verlichting langs start- en landingsbaan.