Bijlage 1 Rskr: kwalificerende activa als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel j
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010 (Rskr)
- 1. De activa, bedoeld in artikel 1:1, onderdeel j, zijn:
- a. vorderingen op of gegarandeerd door:
- 1°. centrale overheden, centrale banken, publiekrechtelijke lichamen, regionale overheden respectievelijk lokale overheden van de lidstaten van de Europese Unie;
- 2°. centrale overheden of centrale banken van landen die geen lid zijn van de Europese Unie en die het risicogewicht hebben behorend bij kredietkwaliteitstrap 1 uit tabel A uit bijlage 2A, respectievelijk multilaterale ontwikkelingsbanken als bedoeld in artikel 2:15 of internationale organisaties als bedoeld in artikel 2:16;
- 3°. publiekrechtelijke lichamen van landen die geen lid zijn van de Europese Unie als bedoeld in artikel 2:13 respectievelijk regionale overheden of lokale overheden als bedoeld in paragraaf 2.2.2 van landen die geen lid zijn van de Europese Unie, mits die het risicogewicht hebben behorend bij kredietkwaliteitstrap 1 uit tabel A uit bijlage 2A; en
- 4°. entiteiten als bedoeld in de subonderdelen 1°. tot en met 3°., die het risicogewicht hebben behorend bij kredietkwaliteitstrap 2 uit tabel A uit bijlage 2A, mits deze vorderingen niet hoger liggen dan 20% van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van uitgevende financiële ondernemingen.
- b. vorderingen op financiële ondernemingen die het risicogewicht hebben behorend bij kredietkwaliteitstrap 1 uit tabel A uit bijlage 2A, mits het totaalbedrag van deze vorderingen niet hoger ligt dan 15 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende financiële onderneming;
- c. leningen die gedekt zijn door:
- 1° niet-zakelijk onroerend goed of aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, bedoeld in artikel 2:29, onderdeel b, tot een waarde die de laagste is van ofwel de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten, ofwel 80% van de waarde van de in pand gegeven goederen;
- 2° seniore financiële instrumenten die worden uitgegeven door Franse ‘Fonds Communs de Créances’ of door equivalente SSPE’s als bedoeld in artikel 1 van de Regeling securitisaties Wft 2010, die bij of krachtens de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en door residentieel onroerend goed gedekte vorderingen securitiseren. Indien dergelijke seniore financiële instrumenten als dekking worden gebruikt, zorgt het in artikel 52, vierde lid, van de UCITS richtlijn nr. 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (herschikking) (PbEU L 302) opgenomen speciaal overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders ervoor dat de onderliggende activa van deze seniore financiële instrumenten, op ieder moment dat zij deel uitmaken van de cover pool, voor ten minste 90% bestaat uit residentiële hypotheken die gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten tot een waarde die de laagste is van ofwel de hoofdsommen die krachtens de seniore financiële instrumenten verschuldigd zijn, ofwel de hoofdsommen van de pandrechten en 80% van de waarde van de in pand gegeven goederen, en mits de seniore financiële instrumenten in aanmerking komen voor de kredietkwaliteitstrap 1 uit tabel A uit bijlage 2A, voor zover deze seniore financiële instrumenten niet meer bedragen dan 10% van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte;
- 3° zakelijk onroerend goed of aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, bedoeld in artikel 2:29a, tot aan een waarde die de laagste is van ofwel de hoofdsom van de pandrechten die gecombineerd zijn met eerder verleende pandrechten, ofwel 60% van de waarde van de in pand gegeven goederen;
- 4° seniore financiële instrumenten die worden uitgegeven door Franse ‘Fonds Communs de Créances’ of door daaraan equivalente SSPE’s als bedoeld in artikel 1 van de Regeling securitisaties Wft 2010 die bij of krachtens de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en door residentieel onroerend goed gedekte vorderingen securitiseren. Indien dergelijke seniore financiële instrumenten als dekking worden gebruikt, zorgt het in artikel 52, vierde lid, van de UCITS richtlijn nr. 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (herschikking) (PbEU L 302) opgenomen speciaal overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders ervoor dat de onderliggende activa van deze seniore financiële instrumenten, op ieder moment dat zij deel uitmaken van de cover pool, voor ten minste 90% bestaan uit commerciële hypotheken die gecombineerd zijn met eventueel eerder verleende pandrechten tot een waarde die de laagste is van ofwel de hoofdsommen die krachtens de seniore financiële instrumenten verschuldigd zijn, ofwel de hoofdsommen van de pandrechten en 60% van de waarde van het in pand gegeven goederen, en mits de seniore financiële instrumenten het risicogewicht hebben behorend bij kredietkwaliteitstrap 1 uit tabel A uit bijlage 2A, voor zover deze seniore financiële instrumenten niet meer bedragen dan 10% van de waarde van de uitstaande uitgifte; of
- 5° schepen, mits de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten onder de 60% van de waarde van het in pand gegeven schip blijven.
- 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder afgedekt mede verstaan: de omstandigheden waarin de activa, bedoeld in het eerste lid, bij of krachtens wet zijn bestemd om de houders van de obligaties tegen verliezen te beschermen.
- 1. Voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, worden vorderingen die het gevolg zijn van overdrachten en beheer van betalingen van debiteuren, of liquidatieopbrengsten, uit hoofde van door onroerend goed gedekte leningen aan houders van gedekte obligaties, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 15%. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kunnen vorderingen op financiële ondernemingen die in de Europese Unie zijn gevestigd met een looptijd van maximaal 100 dagen reeds in aanmerking worden genomen indien deze vorderingen minimaal het risicogewicht hebben behorend bij kredietkwaliteitstrap 2 uit tabel A uit bijlage 2A.
- 2. Voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°., worden vorderingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen van de debiteur van, of liquidatieopbrengsten uit hoofde van, leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen, preferente aandelen dan wel zekerheden van terugbetaling van de schuld, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 90%.
- 3. In afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 3°., zijn door zakelijk onroerend goed gedekte leningen ook toelaatbaar indien de ratio van de lening ten opzichte van de waarde meer dan 60% maar minder dan 70% bedraagt, mits de totale waarde van de als zekerheid voor de gedekte obligaties verschafte activa het nominale bedrag van de gedekte obligatie met ten minste 10% overtreft en de rechten van de obligatiehouders voldoen aan de rechtszekerheidseisen, bedoeld in artikel 4:11, onderdeel b, en artikel 4:30 en voorrang hebben op alle andere zekerheidsrechten.
- 4. Voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°. en 4°., worden vorderingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen of liquidatieopbrengsten van de debiteur van leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen, preferente aandelen dan wel zekerheden van terugbetaling van de schuld, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 90%.