Bijlage 1 Besluit Vaststelling Subsidieprogramma CO2-reductie Innovatieve Biobrandstoffen voor transport: als bedoeld in artikel 1
Besluit Vaststelling Subsidieprogramma CO2-reductie Innovatieve Biobrandstoffen voor transport
Het Subsidieprogramma CO2-reductie Innovatieve Biobrandstoffen voor transport, hierna genoemd het programma, is een programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer (Stcrt. 2001, nr. 213), hierna genoemd de Subsidieregeling. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het programma zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de Subsidieregeling onverkort van toepassing. Het programma wil een CO2-reductie bewerkstelligen voor verkeer en vervoer. Doelstelling van het programma is het stimuleren van de overgang naar een duurzame energiehuishouding. Aan deze doelstelling wordt invulling gegeven door het ondersteunen van projecten die gericht zijn op vernieuwde werkwijzen en processen die het vervaardigen van innovatieve biobrandstoffen voor transport (CO2-reductieproject) tot doel hebben. Het programma heeft een pilot-karakter. Het programma heeft een looptijd van 2006 tot 2014. Na afloop wordt dit programma geëvalueerd. Toelichting Het karakter van dit programma is om middels het ondersteunen van projecten met een onrendabele top een impuls te geven aan initiatieven op het gebied van de ontwikkeling van productie van innovatieve biobrandstoffen. Met name omdat momenteel in Nederland nog geen substantiële activiteiten op dit gebied gaande zijn, zullen projecten een first of a kind karakter hebben. Hierbij kan zowel het eindproduct (de brandstof) innovatieve kenmerken hebben als het productieproces, of een combinatie van beide. In beide gevallen spreken we over innovatieve biobrandstoffen. Het programma staat open voor investerings- en toepassingsprojecten. In dit programma wordt verstaan onder: Onder een 1e generatie biobrandstof wordt verstaan een conventionele biobrandstof. Met conventioneel wordt bedoeld dat de biobrandstof op dit moment al met commerciële technologie geproduceerd wordt. Tevens zijn 1e generatie biobrandstoffen aan te duiden als huidige (2006) gangbare biobrandstoffen die met gan
- 1. Het project betreft vernieuwde werkwijzen en processen om innovatieve biobrandstoffen te vervaardigen, de distributie of het gebruik van innovatieve biobrandstoffen.
- 2. Het project moet nieuw zijn voor Nederland.
- 3. Het project dient qua CO2-emissiereductie ten opzichte van fossiele brandstoffen tenminste 10% – doch bij voorkeur een hoger percentage – beter te scoren dan 1e generatie biobrandstoffen. Het project dient qua CO2-emissiereductie over de gehele keten een substantiële verbetering van de werkwijze te realiseren, zodat er sprake is van een significante verbetering van de CO2-emissiereductie in vergelijk met een relevante 1e generatie biobrandstof(keten).
- 4. Het project moet volledig gerealiseerd zijn voor 1 juli 2013.
- 1. Broeikasgasbalans: De omvang van de CO2-emissiereductie van het project. Hierbij dient de verbetering van de innovatieve biobrandstof ten opzichte van de 1e generatie biobrandstof aangegeven te worden, waarbij de absolute CO2-emissiereductie aangegeven wordt ten opzichte van fossiele brandstoffen.
- 2. Landgebruik: Met de realisatie van het project wordt aantoonbaar een vermindering van het landgebruik gerealiseerd (in liter/hectare). Hierbij dient de situatie aangegeven te worden ten opzichte van de huidige biobrandstoffen, oftewel de gangbare praktijk in Nederland.
- 3. Marktpotentieel en slaagkans: Met marktpotentieel van het project wordt de hoeveelheid brandstof die het project oplevert bedoeld, de bijbehorende CO2-reductie en het aantal keer dat het herhaald kan worden, en hoe vaak het toegepast kan gaan worden. Hierbij dient zowel een middellange termijn (2010) – als een lange termijn potentieel (2020) aangegeven te worden door de aanvrager. Met de slaagkans van het project wordt de haalbaarheid bedoeld gelet op de technische, organisatorische- en financiële slaagkans. Het betreft de mate waarin de risico’s worden ingeschat en de beoogde resultaten daadwerkelijk zullen worden bereikt.
- 4. Subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is.
- 5. Duurzaam: het project dient zo duurzaam mogelijk te zijn, dat wil zeggen op het gebied van concurrentie met de voedselvoorziening, biodiversiteit en milieu. Het project levert naast CO2-reductie ook een bijdrage aan overige milieueffecten. Hieronder wordt verstaan:
- – Luchtkwaliteit: het project realiseert een verminderde uitstoot van NOx en fijn stof, met andere woorden realiseert een aantoonbare vermindering van emissies van voertuigen rijdend op biobrandstoffen ten opzichte van de huidige biobrandstoffen (gangbaar in Nederland).
- – Bodem, water: het project heeft een verbeterde biologische afbreekbaarheid van de desbetreffende biobrandstof(fen). Ook hier gaat het om een aantoonbare verbetering ten opzichte van de huidige biobrandstoffen (gangbaar in Nederland).
- – Transportbewegingen (niet-CO2deel): de mate waarin het project bijdraagt aan het verminderen van de belasting van de transportinfrastructuur.
- – bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor investeringsprojecten de annuïteitfactor gebaseerd op een disconto van 6% en is de technische levensduur van een voorziening ten hoogste 25 jaar;
- – bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor toepassingsprojecten de CO2-reductie berekend over een exploitatieperiode van 10 jaar, gerekend vanaf de start van het toepassingsproject;