Bijlage 5 Regeling inburgering: behorende bij artikel 2.5
Vanaf 1 januari 2007 wordt in het inburgeringsexamen taalvaardigheid en kennis van de Nederlandse samenleving getoetst. Vanaf 1 januari 2015 wordt kennis van de Nederlandse samenleving uitgebreid met het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Als gevolg daarvan gaat het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving vanaf 1 januari 2015 kennis van de Nederlandse maatschappij heten. In dit document zijn de herziene eindtermen opgenomen voor het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij (KNM) van het inburgeringsexamen Nederland. Deze eindtermen zijn een herziening van de oorspronkelijke eindtermen die vanaf 1 januari 2007 gelden voor het inburgeringsexamen. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het consortium Bureau ICE – ITTA in 2013 verzocht om deze herziening. Aanleiding daarvoor was enerzijds de motie van Dibi en Van Dam, Tweede Kamer, 2011–2012, 33 086, nr. 40 en in de tweede plaats de gewijzigde Wet Inburgering waardoor de doelgroep van het inburgeringsexamen is veranderd; oudkomers maken in principe geen deel meer uit van de doelgroep. Ook veranderingen in de samenleving maakten een herziening hier en daar noodzakelijk. Aan de oorspronkelijke opzet en structuur is niets veranderd. De herziening heeft plaatsgevonden in samenspraak met de Adviescommissie van het examen Kennis van de Nederlandse Samenleving en met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze nieuwe versie van de eindtermen wordt van kracht in het voorjaar van 2015 als de itembank en het examen zijn aangepast aan de nieuwe eindtermen. Als basis voor het opstellen van de oorspronkelijke eindtermen zijn de uitkomsten van het onderzoek van Euro RSCG Bikker gebruikt. In hun ‘Onderzoeksverslag en eindtermen Inburgeringsexamen Kennis van de Nederlandse Samenleving’ (Rotterdam, mei 2005) zijn acht thema’s onderscheiden waaromheen eerste aanzetten van eindtermen zijn geformuleerd. Bureau ICE en Cito hebben de eerste aanzetten voor de eindtermen verder
- • Bekende of dagelijkse situaties De situaties die voor het examen KNM geselecteerd zijn, zijn situaties die inburgeraars in het dagelijks leven tegen (kunnen) komen. In het examen wordt vertrouwdheid met de situaties zo goed mogelijk geborgd door veel gebruik te maken van beeldmateriaal. Zo is met weinig taal de herkenbaarheid van situaties zo groot mogelijk gemaakt.
- • Niet complexe of simpele alledaagse taken De opgaven die de kandidaten voorgelegd krijgen zijn teruggebracht tot niet-complexe examenopgaven. De examenopgaven zijn gekoppeld aan een casus. Dit is een inleidende context die het mogelijk maakt meerdere taken onafhankelijk van elkaar te meten zonder de complexiteit te verhogen en toch te zorgen voor een maximale samenhang. De examenopgaven doen een beroep op eenduidig gedrag of handelen in een alledaagse, herkenbare context.
- • Beperkt handelingsrepertoire Een beperkt handelingsrepertoire verwijst naar gedrag dat wordt gestuurd door routines of standaardprocedures. In het examen Kennis van de Nederlandse maatschappij vragen we van de kandidaat dat hij per casus en per opgave kan inschatten welk handelen het meest gepast en het meest adequaat is. Het gaat om eenvoudig, reproduceerbaar gedrag, waarvoor men in principe in het onderwijs of elders geleerd of geoefend heeft.
- I Functioneren op de arbeidsmarkt
- II Functioneren in de eigen leefomgeving
- III Functioneren in contacten met instanties en overheid
- IV Functioneren als burger in Nederland
- 1 Werk en inkomen De inburgeraar is in staat stappen te zetten om werk te zoeken, te behouden en in eigen onderhoud te voorzien.
- 2 Omgangsvormen, waarden en normen De inburgeraar is in staat om te gaan met de Nederlandse omgangsvormen, waarden en normen.
- 3 Wonen De inburgeraar is in staat passende huisvesting te vinden en nutsvoorzieningen te regelen. Hij draagt zorg voor de veiligheid in de woning en voor milieu en schone leefomgeving.
- 4 Gezondheid en gezondheidszorg De inburgeraar is in staat om volgens de regels van het Nederlandse zorgstelsel gebruik te maken van de gezondheidszorg.
- 5 Geschiedenis en geografie De inburgeraar is in staat om, door de geschiedenis en geografie van Nederland te kennen, betrokken te zijn bij Nederland en de Nederlandse samenleving.
- 6 Instanties De inburgeraar is op de hoogte van de dienstverlening van de lokale overheid, de belastingdienst, de politie en instanties voor sociale en juridische dienstverlening. Hij is in staat in voorkomende gevallen informatie of hulp te vragen bij Bureaus voor Juridische Hulpverlening en/of maatschappelijk werk.
- 7 Staatsinrichting en rechtsstaat De inburgeraar is in staat om, door de staatsinrichting van Nederland te kennen, betrokken te zijn bij Nederland en de Nederlandse samenleving.
- 8 Onderwijs en opvoeding De inburgeraar kent het Nederlandse onderwijssysteem en onderkent het belang van onderwijs in de Nederlandse kenniseconomie. Inburgeraars laten hun kinderen aan onderwijs deelnemen en kennen de rol die van ouders wordt verwacht.
- 1.1 snel en efficiënt (nieuw) werk zoeken
- 1.2 actief deel uit maken van een arbeidsorganisatie
- 1.3 omgaan met (verborgen) discriminatie op de arbeidsmarkt
- 1.4 voorbereidingen treffen om een eigen bedrijf te starten
- 2.1 duiden en hanteren van verschillende omgangsvormen in Nederland
- 2.2 omgaan met ongewone of botsende gewoonten, waarden en normen
- 2.3 deelnemen aan sociale netwerken
- 2.4 aangaan en onderhouden van alledaagse sociale contacten
- 3.1 passende huisvesting regelen
- 3.2 regelen van en omgaan met nutsvoorzieningen en communicatiemiddelen in de eigen woning
- 3.3 omgaan met gebruiken met betrekking tot de aankleding en onderhoud van de woonomgeving
- 4.1 bewuste keuzes doen ten aanzien van de eigen gezondheid en levensstijl
- 4.2 gebruik maken van eerstelijns gezondheidszorg (huisarts)
- 4.3 gebruik maken van tweedelijns gezondheidszorg
- 4.4 gebruik maken van de apotheek
- 4.5 gebruik maken van de tandarts
- 4.6 handelen bij medische spoedgevallen
- 4.7 gebruik maken van gespecialiseerde zorg rondom zwangerschap, bevalling en het jonge kind
- 4.8 een zorgverzekering afsluiten en gebruiken
- 4.9 gebruik maken van en/of regelen van zorg voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten
- 5.1 zich verdiepen in de geschiedenis van Nederland
- 5.2 omgaan met voor Nederland gevoelige relaties en gebeurtenissen
- 5.3 geografische kennis van Nederland gebruiken in het dagelijkse leven
- 5.4 kent de denkbeelden die in Nederland geaccepteerd zijn (sinds de jaren ‘70)
- 6.1 gebruik maken van de dienstverlening van de gemeente aan de burger
- 6.2 omgaan met belastingaangifte, -teruggave en aanvragen van toeslagen (zorg-, kinderopvang-, woontoeslag)
- 6.3 omgaan met dienstverlening en aanwijzingen van de politie
- 6.4 gebruik maken van juridische hulp (sociale raadslieden) en sociale dienstverlening
- 6.5 verantwoord omgaan met verzekeringen
- 7.1 in het dagelijks handelen invulling geven aan de Nederlandse grondwet
- 7.2 zich verdiepen in de verantwoordelijkheden van de Nederlandse bestuurslagen
- 7.3 omgaan met de scheiding tussen kerk (religie) en staat
- 7.4 hanteert wet- en regelgeving
- 8.1 maakt gebruik van het Nederlandse onderwijssysteem voor zichzelf of de eigen kinderen
- 8.2 draagt verantwoordelijkheid voor het gedrag van de eigen minderjarige kinderen
- 8.3 maakt gebruik van kinderopvang en speelzaal
- 8.4 omgaan met schoolkosten en tegemoetkomingen in schoolkosten en studiefinanciering
- • Selecteert informatiebronnen
- • Gebruikt informatiebronnen
- • Maakt gebruik van formele en informele mogelijkheden voor hulp.
- • Handelt tijdig, dat wil zeggen laat geen termijn verlopen.
- 1.1.1 Is op de hoogte van de procedures van de gemeente voor werkzoekenden.
- • legt bij werkloosheid direct contact met de gemeente ten behoeve van registratie/inschrijving
- • overlegt met de gemeente bij scholingswensen die passen bij zijn startpositie
- 1.1.2 Is op de hoogte van de procedures van de gemeente en het UWV6UWV = Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen voor werklozen of arbeidsongeschikten.
- • handelt volgens procedures bij aanvraag van uitkering in kader van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid
- • legt uit dat Nederland een (tijdelijk) vangnet (bijstand, ww) heeft voor mensen die ondanks hun inspanningen geen werk kunnen vinden of die niet (voltijds) aan het werk kunnen om fysieke of psychische redenen (arbeidsongeschiktheidsuitkeringen).
- 1.1.3 Is op de hoogte van andere intermediairs (dan de gemeente en het UWV) voor het vinden van werk.
- • legt de procedure voor inschrijving bij werk zoeken via uitzendbureaus uit
- 1.1.4 Weet hoe je in Nederland vacatures kunt vinden.
- • raadpleegt eigen netwerk en bronnen voor vacatures (krant, internet, beurs UWV, eigen netwerken enzovoort)
- • legt uit dat het in Nederland gebruikelijk is bij een sollicitatie een cv , een sollicitatiebrief of sollicitatieformulier te gebruiken.
- 1.1.5 Heeft inzicht in relevante delen van de arbeidsmarkt in relatie tot eigen kwalificaties en loopbaanmogelijkheden.
- • houdt rekening met factoren die de kansen op de arbeidsmarkt beïnvloeden (vooropleiding, werkervaring, beschikbaarheid, motivatie en kennis van de Nederlandse taal)
- 1.1.6 Weet hoe hij de waarde van de eigen opleiding en ervaring voor de Nederlandse arbeidsmarkt kan achterhalen of laten equivaleren.
- • checkt de waarde van een eerder behaald diploma of ervaring (aanvraag IDW of EVC procedure)
- 1.1.7 Weet welke stappen gevolgd moeten worden voor scholing.
- • licht het belang van scholing voor zichzelf toe en licht toe welke stappen er gevolgd moeten worden voor scholing indien nodig.
- 1.1.8 Weet welke eisen met betrekking tot competenties een werkgever aan een sollicitant kan stellen.
- • vergroot bij onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal zijn of haar taalvaardigheid Nederlands
- • zoekt training bij onvoldoende sollicitatievaardigheden
- • onderzoekt bij onvoldoende kwalificatie de mogelijkheden voor een passende opleiding om dit te herstellen
- • legt uit dat het volgen van bij- of nascholing onderdeel uitmaakt van werken
- 1.2.1 Weet welke algemene eisen een werkgever stelt aan een werknemer.
- • legt uit dat werkgevers in Nederland het vaak belangrijk vinden dat werknemers zelfstandig werken, samenwerken met collega’s en initiatief tonen
- • gaat op passende wijze om met leidinggevenden
- 1.2.2 Weet welke vormen van werknemersparticipatie belangrijk zijn.
- • licht het belang van werknemersparticipatie toe
- • legt uit welke vormen van werknemersparticipatie er zijn en wat zij doen (vakbond, Ondernemingsraad Ondernemingsraad = OR / Medezeggenschapsraad Medezeggenschapsraad = MR, personeelsvereniging)
- 1.2.3 Onderkent het belang van contacten met collega’s.
- • gaat op passende wijze contacten aan met collega’s
- 1.2.4 Weet welke regels en plichten voor een werknemer voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst.
- • volgt bedrijfsregels bij werkuitvoering (arbo 7 Arbo = Arbeidsomstandigheden , milieu, vakantie, ziekte enzovoort)
- • legt uit wat de rechten en plichten zijn bij verschillende soorten arbeidscontracten (0-uren contract, via uitzendbureau, tijdelijk en vast)
- 1.2.5 Weet in grote lijnen welke premies en belastingen door werknemers moeten worden betaald en met welk doel.
- • legt uit dat ingehouden werknemerspremies en belastingen op salaris en uitkeringen bedoeld zijn voor algemene voorzieningen (bijvoorbeeld onderwijs, wegen, aow )8AOW = Algemene ouderdomswet
- • weet hulp te vinden bij het invullen van een aangifte- of teruggavenformulier voor de belasting
- • regelt eigen aanvullende (pensioen) verzekeringen indien nodig
- 1.2.6 Kent de rol van vakbonden in Nederland.
- • licht toe wat de rol van de vakbeweging in Nederland is
- 1.2.7 Weet wat een CAO9CAO = Collectieve Arbeidsovereenkomst inhoudt en wat het belang is van een CAO.
- • geeft uitleg over wat een CAO is en het belang ervan
- 1.3.1 Kent de wettelijke rechten en procedures in geval van discriminatie.
- • • legt uit dat discriminatie op het werk verboden is (zowel door werkgevers als collega’s)
- • • bespreekt een vermoeden van discriminatie door een collega met de werkgever
- • licht toe hoe hij een beroep kan doen op wettelijke rechten bij discriminatie
- 1.4.1 Weet wat de rol is van de Kamer van Koophandel10Kamer van Koophandel = KvK.
- • schrijft zich in bij de Kamer van Koophandel
- 1.4.2 Weet dat bepaalde diploma’s van belang zijn voor het starten van een bedrijf in bepaalde sectoren.
- • schrijft zich in voor (aanvullende) cursussen
- 1.4.3 Weet wat de eisen ten aanzien van financiering van een eigen bedrijf zijn.
- • legt uit dat een ondernemingsplan belangrijk is voor de financiering van de start van een eigen bedrijf.
- • levert informatie voor het opstellen van een ondernemingsplan
- • schakelt passende hulp in voor de financiering van de start van een eigen bedrijf
- 2.1.1 Weet dat omgangsvormen, waarden en normen kunnen verschillen per cultuur, regio en sociale klasse.
- • stelt zich op de hoogte van onuitgesproken omgangsregels (door observeren, advies vragen, vragen om bevestiging of correctie enzovoort)
- • gaat op een respectvolle manier om met overeenkomsten en verschillen
- • informeert zich over omgangsvormen, normen en waarden van burgers met andere achtergronden dan de eigen
- 2.1.2 Weet dat Nederlanders zich zeer direct kunnen uiten, zonder daarmee kwetsend of onbeleefd te willen zijn.
- • vat direct geuite feedback en kritiek niet persoonlijk op
- • reageert adequaat op rechtstreeks uitgesproken meningen en directe vraagvormen
- 2.1.3 Weet hoe sociale contacten privé en op het werk verlopen.
- • maakt indien de andere partij daar prijs op stelt afspraken bij sociale contacten (bijvoorbeeld voor bezoek)
- • houdt zich aan gemaakte afspraken of meldt zich tijdig af
- 2.1.4 Weet wat de gebruikelijke gedragsregels zijn in de meest voorkomende situaties (in winkels en wachtkamers, bij loketten, deelnemen aan feestje in de buurt, openbaar vervoer).
- • stelt zich op de hoogte van de gangbare regels en realiseert zich wat op dit gebied als passend gedrag wordt beschouwd (nummertje trekken, een karretje pakken, in de rij staan, op zijn beurt wachten, in- en uitstappen bij openbaar vervoer)
- 2.2.1 Weet dat de verhouding tussen man en vrouw, ook in huiselijke kring, gelijkwaardig is.
- • realiseert zich dat mannen en vrouwen in Nederland gelijkwaardig worden behandeld en gaat hier respectvol mee om
- 2.2.2 Weet dat (ongehuwd) samenwonen, ook van mensen van gelijke sekse, geaccepteerd is in Nederland.
- • realiseert zich dat andere samenlevingsvormen dan het huwelijk geaccepteerd zijn in Nederland en gaat hier respectvol mee om
- 2.2.3 Kent de belangrijkste Nederlandse feestdagen en hun religieuze, politieke of historische inhoud/achtergrond.
- • licht de belangrijkste Nederlandse feestdagen toe (Kerst, Pasen, Sinterklaas, Koningsdag, 4 en 5 mei) en de achtergronden van de gebruiken die erbij horen
- • stelt zich op de hoogte van wat er bij de viering van deze feesten wordt verwacht op school, in de buurt, op het werk
- • laat anderen vrij in de viering van voor hen belangrijke (religieuze) feestdagen
- 2.3.1 Kent doel en gebruiken van culturele- en sportieve verenigingen.
- • kan uitleggen hoe het lidmaatschap van verenigingen kan bijdragen aan participatie in sociale netwerken
- • legt uit dat het gebruikelijk is dat leden actief zijn voor de vereniging
- 2.4.1 Kent de Nederlandse gebruiken bij belangrijke familiegebeurtenissen van buren en bekenden (bruiloft, geboorte, slagen voor examen enzovoort).
- • neemt op passende wijze contact op met buren en bekenden bij belangrijke familiegebeurtenissen (een kaartje sturen, feliciteren, een klein presentje enzovoort)
- 2.4.2 Weet om te gaan met overlast en grensoverschrijdend gedrag.
- • legt uit dat het in Nederland gebruikelijk is om overlast en grensoverschrijdend gedrag van anderen bespreekbaar te maken
- • treft passende maatregelen bij vermoede overlast van zichzelf (bijvoorbeeld buren waarschuwen bij een eigen feestje)
- 3.1.1 Weet waar en hoe hij informatie kan vinden ten behoeve van het verkrijgen van een huurwoning.
- • neemt contact op met de passende instantie bij het zoeken van een huurhuis
- • raadpleegt huizenkranten en websites
- • formuleert een woonwens die past bij zijn gezinssituatie en zijn inkomen
- • schrijft zich bij woon- of verhuiswens in bij een passende instantie
- • licht toe wat de belangrijkste stappen zijn in de vastgestelde procedure
- • kan aangeven dat er mogelijkheid is tot het aanvragen van huurtoeslag bij de belastingdienst en kan (eventueel met hulp) achterhalen welke regels gelden voor het aanvragen ervan
- 3.1.2 Kent de procedures rondom het aankopen/verkopen van een woning.
- • legt uit dat je bij het verkopen van een woning een makelaar in kan schakelen
- • neemt bij belangstelling voor een koophuis contact op met de verkopende makelaar/partij
- • wint informatie en advies in bij de bank over eigen financiële mogelijkheden in geval van hypotheek
- • geeft aan dat er mogelijkheden zijn voor renteaftrek
- • licht toe wat de taken zijn van een notaris bij de koop/verkoop van een huis
- 3.2.1 Weet hoe hij aanvragen moet regelen.
- • regelt zijn energievoorziening
- • regelt telefoon- en/of kabelaansluiting
- 3.2.2 Weet hoe een energiejaarrekening is opgebouwd.
- • begrijpt de hoofdpunten uit energiejaarrekening
- 3.2.3 Weet hoe hij veilig en zuinig met gas, elektra en water om moet gaan.
- • volgt de veiligheidsvoorschriften voor gebruik van gas, elektra en water op
- • geeft aan op welke manieren je zuinig met gas, elektra en water kan omgaan om milieu en geld te sparen.
- 3.2.4 Weet wie hij moet benaderen bij storing.
- • herkent storingen en handelt passend (bijvoorbeeld onderscheid stroomuitval in de buurt en gaslek in eigen woning)
- 3.3.1 Kent regels met betrekking tot afvalinzameling en afvalscheiding.
- • geeft aan wat de regels voor afvalinzameling en afvalscheiding zijn
- 3.3.2 Kent de regels (gemeentelijke bepaling) omtrent het schoonhouden van de omgeving.
- • legt uit wat de wettelijke milieuregels zijn
- 3.3.3 Weet dat veel Nederlanders belang hechten aan het uiterlijk van huis en tuin.
- • geeft aan dat veel Nederlanders belang hechten aan een ordelijk aanzicht van de woning
- • bergt afval op op daarvoor bestemde plaatsen
- 4.1.1 Weet dat bewegen en gezonde voeding een belangrijke bijdrage leveren aan gezondheid.
- • geeft aan dat sport, beweging en gezond eten eraan bijdragen gezond te blijven
- 4.2.1 Weet hoe hij een huisarts kan vinden.
- • meldt zich aan bij een huisarts
- • maakt een afspraak voor een patiëntkennismakingsgesprek
- • legt uit dat hij een eigen huisarts kan kiezen
- 4.2.2 Weet met welke klachten hij bij een huisarts terecht kan.
- • maakt afspraken voor klachten die vallen onder de taken en verantwoordelijkheden van een huisarts
- 4.2.3 Kent de wijze waarop Nederlandse artsen doorgaans adviseren.
- • geeft aan welk gedrag bijdraagt aan het bevorderen van herstel
- • geeft aan dat artsen in Nederland in het algemeen terughoudend zijn in het voorschrijven van medicijnen
- 4.2.4 Kent de procedure bij de afdeling Eerste Hulp.
- • licht toe dat op de Eerste Hulp de volgorde van behandeling van mensen bepaald wordt door de ernst van de verwonding
- 4.3.1 Weet dat de huisarts doorverwijst naar specialistische zorg.
- • gaat bij medische problemen eerst naar de huisarts
- • neemt bij bezoek aan specialist een verwijsbrief mee
- • neemt regels en gebruiken in ziekenhuizen in acht
- • laat bij eerste bezoek aan ziekenhuis eerst een registratiekaartje maken
- 4.3.2 Weet dat de huisarts kan doorverwijzen naar psychosociale zorg- of hulpverlening.
- • geeft aan dat hij zich voor psychosociale zorg- of hulpverlening eerst tot de huisarts wendt voor een doorverwijzing
- 4.4.1 Weet dat de meeste medicijnen alleen op recept te verkrijgen zijn en bepaalde medicijnen niet.
- • zorgt voor een recept via huisarts of specialist
- • haalt zonder tussenkomst van arts medicijnen die zonder recept verkrijgbaar zijn bij drogist of apotheek
- • hanteert de juiste regels voor het aanvragen van vergoeding voor medicijnen
- 4.5.1 Weet dat een regelmatig bezoek aan een tandarts gangbaar is.
- • kiest een tandarts
- • bezoekt periodiek een tandarts voor controle of behandeling
- 4.6.1 Weet dat bij levensbedreigende situaties het nummer 112 moet worden gebeld.
- • belt bij spoedgevallen het noodnummer
- 4.6.2 Weet dat avond- en weekenddiensten zijn geregeld.
- • realiseert zich dat ’s avonds en in het weekend bij dringende medische problemen andere procedures gelden
- 4.7.1 Weet waar zich te melden voor zwangerschapsbegeleiding en verloskundige hulp.
- • meldt zich bij een verloskundige of laat zich bij medische noodzaak doorverwijzen naar gynaecoloog