Bijlage 4 Regeling inburgering: behorende bij artikel 2.4, derde lid, van de Regeling inburgering (vanaf 1 november 2014)
Voorwoord 1. Algemeen 1.1 Inleiding 1.2 Protocol 1.3 Wettelijk kader 1.4 Taken betrokkene, DUO, IND en medisch adviseur 1.5 Aanvraagperiode en invulling begrip ‘blijvend’ 1.6 Bezwaar en beroep 1.7 Het inburgeringsexamen 2. Medisch protocol 2.1 Begrippen 2.2 Algemeen 2.3 Beperkingen 2.4 Anamnese en lichamelijk onderzoek 2.5 Weging en beoordeling 2.6 Bijzondere examenomstandigheden Bijlage 1 Begrippen- en afkortingenlijst Bijlage 2 Modelformulier medisch advies inburgeringsexamen Bijlage 3 Machtiging voor het opvragen van medische informatie Vanaf 1 januari 2013 is de wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige van kracht geworden. Een belangrijke wijziging voor het Protocol medische advisering is de verschuiving van de uitvoering van de inburgering, waar onder het nemen van beslissingen over medische ontheffingen, van gemeenten naar de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO). Het onderhavige Protocol is onder andere hierop aangepast. Het aldus gewijzigde protocol geldt voor de medische advisering ten behoeve van vreemdelingen die na 31 december 2012 inburgeringsplichtig zijn geworden. Het gewijzigde protocol geldt niet voor vreemdelingen die voor die datum inburgeringsplichtig zijn geworden. Voor hen geldt het overgangsrecht en voor hen is de gemeente nog het uitvoerend orgaan. Op grond van de Wet inburgering, de Vreemdelingenwet 2000 (voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden of verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier of asiel of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen) of de Rijkswet op het Nederlanderschap (voor naturalisatie) moeten vreemdelingen, tenzij zij hiervan zijn vrijgesteld, voldoen aan het inburgeringvereiste1In de genoemde wetten wordt, afhankelijk van de desbetreffende wet, de ene keer de term ‘inburgeringsplicht’ gebruikt en de andere keer de term ‘inbu
- – psychische belemmering, of
- – lichamelijke belemmering, of
- – verstandelijke handicap.
- – begrippen- en afkortingenlijst,
- – het modeladvies dat door de medisch adviseur moet worden gebruikt bij zijn medische advisering in het kader van het inburgeringsexamen,
- – een model machtiging voor het opvragen van medische informatie in het kader van het inburgeringsexamen.
- A. Een vreemdeling die in het kader van de Wet inburgering inburgeringsplichtig is;
- B. De aanvrager van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier of asiel of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000;
- C. Een vreemdeling die wil naturaliseren in het kader van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
- 1. Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien:
- a. de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;
- 1. Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a, van de wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
- 2. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
- 3. Indien Onze Minister, op grond van het advies, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen slechts kan afleggen onder bijzondere examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, wordt in de beschikking vermeld welke bijzondere examenomstandigheden het betreft.
- 4. De ontheffing kan worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht kan zijn voldaan.
- 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent het advies, bedoeld in het eerste lid.
- 1. Het advies, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een oordeel met betrekking tot het verlenen dan wel het weigeren van de ontheffing van de inburgeringsplicht en, indien van toepassing, noodzakelijke bijzondere examenomstandigheden als bedoeld in artikel 3.2.
- 2. De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit, adviseert tot ontheffing van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige:
- a. op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de wet niet in staat is zich voor te bereiden op het inburgeringsexamen, of
- b. bijzondere examenomstandigheden nodig heeft om het inburgeringsexamen te kunnen behalen en de bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.2, hiertoe niet toereikend zijn.
- 3. De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit, stelt het advies op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.
- – artikel 3.80a, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000;
- – artikel 3.96a, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000;
- – artikel 3.107a, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000.
- – Inburgering moet perspectief bieden op integratie en vormt een eerste stap naar volwaardige deelname aan de samenleving. Basis voor het kunnen functioneren in de samenleving is het beheersen van de Nederlandse taal op een bepaald niveau, om in de dagelijkse omgang te kunnen communiceren in het Nederlands, en bekendheid te verkrijgen met de Nederlandse samenleving, waaronder vigerende normen en waarden.
- – Het inburgeringsexamen is voor alle betrokkenen van gelijke opzet.
- – De vereiste mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid is gesteld op het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen (Common European Framework of Reference for Languages, CEF).
- – De totale afnametijd van het examen, inclusief 15 minuten instructietijd per examen, bedraagt 320 minuten. De kandidaat mag alle onderdelen op één dag afleggen; hij kan er ook voor kiezen de verschillende onderdelen over meerdere dagen te verspreiden.
- – Het examenonderdeel Spreken wordt met de computer afgenomen. De kandidaat moet vragen beantwoorden en zinnen aanvullen met behulp van een koptelefoon. De kandidaat moet in een microfoon antwoorden geven.
- – Het examenonderdeel Lezen wordt met de computer afgenomen. Aan de hand van meerkeuzevragen wordt de leesvaardigheid getoetst. De examenkandidaat leest teksten op het beeldscherm en krijgt daarover vragen. Hij kiest het juiste antwoord door dit met de computermuis aan te klikken.
- – Het examenonderdeel Luisteren wordt met de computer afgenomen. Aan de hand van meerkeuzevragen wordt de luistervaardigheid getoetst. De examenkandidaat hoort via een koptelefoon gesproken tekstfragmenten en krijgt daarover vragen. De mogelijke antwoorden worden ook getoond op het beeldscherm. Hij kiest het juiste antwoord door dit met de computermuis aan te klikken.
- – Het examenonderdeel Schrijven wordt op papier afgenomen. Middels het aanvullen van zinnen, het invullen van formulieren en het maken van korte schrijfopdrachten wordt de schrijfvaardigheid getest. De examenkandidaat krijgt bij aanvang van het examenonderdeel een ‘boekje’ met daarin de vragen / opdrachten. De antwoorden dient de kandidaat in het zelfde ‘boekje’ te schrijven.
- – Het examenonderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij wordt met een computer afgenomen. De kennis van de Nederlandse maatschappij op verschillende domeinen als werk en inkomen, gezondheidszorg, onderwijs, geschiedenis en staatsinrichting, normen en waarden, wordt aan de hand van meerkeuzevragen getoetst. De examenkandidaat leest de vragen op het beeldscherm en hoort ze tevens via een hoofdtelefoon. Hij kiest het juiste antwoord door dit met de computermuis aan te klikken.
- – Het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt bestaat uit een eindgesprek met een examinator over 8 resultaatkaarten (voorbeelden: beroepenoriëntatie en werk vinden). Het opstellen van de resultaatkaarten is een proces, waarin de inburgeraar beslissingen neemt rond het werk / beroep dat hij wil gaan uitoefenen en tevens concrete stappen zet, die zijn kans met dit werk / beroep op de arbeidsmarkt vergroten.
- – Stoornis: een vermindering of afwijking van een somatisch, psychische of anatomische structuur of functie.
- – Beperking: een vermindering of afwezigheid van een vaardigheid om bepaalde activiteiten te verrichten op eenzelfde wijze vergeleken met gezonde mensen.
- – Belemmering: een verlies, in kwalitatieve of kwantitatieve zin, van het vermogen van een persoon om activiteiten te verrichten of gedrag te vertonen, overeenkomstig zijn leeftijd, geslacht en de fysieke en sociaal-culturele omgeving.
- – Wat is volgens betrokkene de oorzaak van de belemmering?
- – Hoe redt betrokkene zich in het dagelijks leven?
- – Welke problemen/ belemmeringen ondervindt betrokkene door stoornis of beperking?
- – Sinds wanneer heeft betrokkene de stoornis of beperking?
- – Wat is de medische voorgeschiedenis?
- – Wat is het medicijngebruik?
- – Is de stoornis/ beperking van blijvende aard?
- – Wanneer en door welke arts is de oorzaak vastgesteld?
- – Is betrokkene onder behandeling voor de stoornis of beperking?
- – Welke hulpmiddelen zijn in gebruik (bril, loep, hoortoestel etc.)?
- – Welke opleiding heeft betrokkene gevolgd (wanneer, waar, diploma)?
- – Welke werkzaamheden zijn of worden verricht, voor /na de stoornis?
- – Visus: inschatting mate gezichtsverlies Hierbij kan gebruik gemaakt worden van een voorbeeld van het beeldscherm dat betrokkene zal moeten kunnen aflezen.
- – Gehoor: inschatting mate gehoorverlies Maakt betrokkene gebruik van een hoortoestel? Beoordeling verstaanbaarheid gewone spraak tijdens spreekuur.
- – Spraak: beschrijving waaruit spraakproblemen bestaan; Is het mogelijk om een gesprek te voeren waarin beide personen in staat zijn elkaar te begrijpen.
- – Motoriek voor computerbediening en schrijfvaardigheid: beschrijving problemen motoriek; Is het mogelijk om een muis en toetsenbord te bedienen, en pen en papier te gebruiken. Mocht betrokkene geen pen en papier kunnen gebruiken maar wel kunnen typen, dan kan de schrijfvaardigheid met behulp van de computer worden getoetst3Onder voorbehoud van technische realisatie door DUO..
- – Tekst/beeldbegrip: beschrijving problemen tekst/ beeldbegrip. Is het mogelijk om de tekst en beelden goed waar te nemen op een beeldscherm. Heeft betrokkene een dyslexieverklaring.
- – Verstandelijke handicap: beschrijving verstandelijke handicap. Is het mogelijk om met de verstandelijke handicap alle facetten van het inburgeringsexamen goed af te ronden. Is reeds verblijf in een instelling geïndiceerd, wordt speciaal onderwijs gevolgd, is een IQ test gedaan.
- – Psychiatrische stoornis: beschrijving stoornis Is het mogelijk om met de geestelijke stoornis alle onderdelen van het inburgeringsexamen succesvol af te ronden.
- a. Aangepaste locatie Het examen wordt in een andere locatie dan de standaard examenlocatie afgenomen (te denken valt aan vestiging Visio, ziekenhuis, ander ‘soort’ gebouw). Van belang is te onderkennen dat de specifieke technische mogelijkheden ter plaatse moeten voldoen aan de eisen van de digitale examens. Daarnaast is het mogelijk dat het examen in een andere examenzaal dan de standaardexamenzaal (examen in apart lokaal) wordt afgenomen. Deze voorziening is standaard aanwezig in de toetslocaties van de DUO.
- b. Verlenging examentijd De examenkandidaat mag, indien mogelijk, langer over het examen doen. Dit kan bij de examenonderdelen Kennis van de Nederlandse maatschappij, Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, Lezen, Luisteren, Spreken en Schrijven. c. Onderbroken examenafname De kandidaat mag rustmomenten tijdens de examenonderdelen nemen. Dit kan bij de examenonderdelen Kennis van de Nederlandse maatschappij, Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, Lezen, Luisteren, Spreken en Schrijven
- c. Aangepaste inroostering De kandidaat wordt bijvoorbeeld aan het begin van de dag of juist aan het eind van de dag ingeroosterd, de kandidaat krijgt meer tijd tussen de examensessies door, de kandidaat wordt apart gehouden van andere kandidaten. Dit is bij alle examens mogelijk. De aangepaste inroostering kan tot gevolg hebben dat de kandidaat niet alle examens op een of twee dagen kan afleggen.
- d. Examenhulp Een medewerker van DUO dan wel een door DUO aangewezen begeleider die de kandidaat helpt bij het examen. Voorbeelden hiervan zijn hulp bij inloggen, muisklikken, koptelefoon opzetten als mede persoonlijke begeleiding. Dit is bij alle examens mogelijk.
- e. Grootbeeld De kandidaat kan het examen maken achter een groter beeldscherm dan standaard is voorzien. Dit geldt alleen voor de examenonderdelen Kennis van de Nederlandse maatschappij, Lezen, Luisteren en Spreken. Het standaard beeldscherm is 15 of 17 inch.
- f. Grootschrift Het examenonderdeel Schrijven, kan in de papieren versie worden vergroot.
- g. Loepfunctie Bij de examenonderdelen Kennis van de Nederlandse Maatschappij, Lezen, Luisteren en Spreken kan met behulp van een loep via een standaard Windows functionaliteit een gedeelte van een scherm worden uitvergroot. Bij deze aanpassing kan gebruik worden gemaakt van 2 monitoren.
- h. Typen in plaats van schrijven Bij het examenonderdeel Schrijven kan de kandidaat het examen afleggen met behulp van (een regulier) toetsenbord en monitor. Dit in plaats van de gebruikelijke wijze van afnemen middels pen op papier.
- i. Voorleesfunctie In dit geval krijgt de kandidaat de geschreven teksten op het beeldscherm voorgelezen middels een koptelefoon. Dit geldt alleen voor de examenonderdelen Kennis van de Nederlandse Maatschappij, Lezen en Luisteren.
- Betrokkene Degene die het inburgeringsexamen moet afleggen in het kader van de Wet inburgering, de Vreemdelingenwet 2000 of de Rijkswet op het Nederlanderschap.
- Inburgeringsexamen Examen waarmee aan het minimum inburgeringsvereiste kan worden voldaan. In het examen worden zowel de Nederlandse taalvaardigheid (spreken, lezen, luisteren, schrijven) op taalniveau A2 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen getoetst, als kennis van de Nederlandse samenleving. Het examen wordt afgenomen door DUO.
- IND Immigratie- en Naturalisatiedienst.
- DUO Dienst Uitvoering Onderwijs
- KNS Examenonderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving.
- KNM Kennis van de Nederlandse Maatschappij
- ONA Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt
- Lezen Examenonderdeel lezen
- Luisteren Examenonderdeel luisteren
- Schrijven Examenonderdeel schrijven
- Spreken Examenonderdeel spreken
- Taalniveau Het inburgeringsexamen wordt voor het onderdeel Nederlands als Tweede taal op taalniveau A2 van het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen afgenomen. Op dit niveau wordt er vanuit gegaan dat iemand zich sociaal redt.
- WI Wet Inburgering