Bijlage 4 Tijdelijke subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering PO en VO
Tijdelijke subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering PO en VO
Binnen dit programma worden ten behoeve van het primair en voortgezet onderwijs taalassistenten en de volgende bijzondere vormen van aansprekend talenonderwijs gesubsidieerd: In het kader van het programma PITON wordt onder ‘taalassistent’ verstaan een niet-Nederlandse native speaker, die voor maximaal een jaar op uitnodiging van het Europees Platform naar Nederland is gekomen. Een taalassistent ondersteunt de lessen, maar kan niet de plaats van een leerkracht overnemen. Ter informatie: Voor het vvto gelden voor het onderwijs in de Engelse taal geen beperkingen, maar onderwijs in de Franse en Duitse taal behoeft op grond van artikel 9, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, toestemming van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De aanvraag wordt ingediend op een formulier dat verkrijgbaar is bij het Europees Platform en omvat een begroting van de kosten. Een aanvraag die betrekking heeft op tto, vto, of vvto omvat een: De aanvraag voor een taalassistent kan voor maximaal een schooljaar worden gehonoreerd indien: De Minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op alle aanvragen per aanvraagronde. Indien een zodanig aantal toe te wijzen aanvragen worden ingediend dat het beschikbare bedrag niet toereikend is, beslist de Minister met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie. Daarbij gelden, in volgorde van doorslaggevendheid, de volgende criteria: Een aanvraag voor subsidie kan zowel in 2006 als in 2007 worden ingediend. In 2006 kan een aanvraag worden ingediend tot en met 15 december. In 2007 kan een aanvraag worden ingediend tot en met 30 april. Indien het beschikbare bedrag dan niet is uitgeput kan een aanvraag nog worden ingediend tot en met 31 oktober. Voor tto, vto en vvto zijn de volgende kosten subsidiabel: De kosten voor de inzet van een taalassistent zijn subsidiabel, mits de school een gedegen plan heeft voor de begeleiding van de
- a. tweetalig onderwijs (tto), dat ziet op het gebruik van een andere taal dan het Nederlands als voertaal in het reguliere (Nederlandstalige) onderwijs bij niet-talenvakken, zoals aardrijkskunde of biologie;
- b. versterkt talenonderwijs (vto), dat ziet op het aanbieden van extra uren vreemde taalonderwijs bovenop de in het curriculum verplichte uren;
- c. Vroeg vreemde-talenonderwijs (vvto), dat ziet op het primair onderwijs, waarbij leerlingen op jongere leeftijd dan normaal een moderne vreemde taal aangeboden krijgen.
- – beleidsplan waaruit blijkt dat er sprake is van (toekomstige) structurele inbedding van tto, vto, of vvto binnen het curriculum van de school;
- – activiteitenplan met een heldere omschrijving van de taalkundige doelstelling;
- – overzicht van het (te verwachten) totaal aantal deelnemende leerlingen;
- – opgave van de inzet van capaciteit en middelen van de school;
- – opzet voor zelfevaluatie;
- – haalbaarheidsonderzoek indien het een voorbereidingsjaar betreft;
- – verklaring dat de school de standaard voor tto-Engels onderschrijft.
- – de aanvraag vergezeld gaat van een activiteitenplan met een heldere omschrijving van de taalkundige doelstelling; en
- – de school beschikt over een gedegen plan voor de begeleiding van de taalassistent.
- – scholen die gedurende de looptijd van de Subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs (Gele Katern nr. 18, 30 juli 2003) geen of minder dan drie jaar gebruik hebben gemaakt van de vergelijkbare subsidiemogelijkheden van die regeling, genieten voorrang op scholen die daar drie jaar of langer gebruik van hebben gemaakt;
- – het tto-, vto- of vvto-programma heeft betrekking op een andere taal dan het Engels;
- – het tto- of vto-programma heeft betrekking op een andere sector dan het vwo (of gymnasium);
- – specifieke, aan het programma gerelateerde maatregelen die worden getroffen voor leerlingen die niet het Nederlands als moedertaal hebben.
- – nascholing docenten in Nederland via een officieel en erkend nascholingsinstituut;
- – aanschaf en/of ontwikkeling van lesmateriaal dat betrekking heeft op het programma;
- – coördinatie van het programma (slechts eenmalig een beperkt bedrag van maximaal € 1.000 in de voorbereidingsfase);
- – ontwikkelkosten, voor zover het gaat om eenmalige projecten met concrete resultaten, die ook ten goede kunnen komen aan andere scholen, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan het ontwikkelen van curriculum of aan vernieuwende samenwerkingsprojecten.