Bijlage 1 Tijdelijke subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering PO en VO

Tijdelijke subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering PO en VO

Scholen kunnen binnen het programma BUURLANDEN zelf hun activiteiten kiezen, mits zij daarbij aan ICT een centrale en herkenbare rol toekennen, die verder strekt dan incidenteel emailverkeer. Leerlingenuitwisseling, docentenmobiliteit en andere activiteiten kunnen een aanvulling vormen op deze ICT-contacten. Bij bezoeken die in het kader van leerlingenuitwisseling of docentenmobiliteit aan het buitenland worden gebracht wordt maximaal voor vijf dagen subsidie verstrekt. Ter informatie: Om de inzet van ICT vorm te geven kan een beroep worden gedaan op het Europees Platform voor advies en hulp. De aanvraag wordt ingediend op een formulier dat verkrijgbaar is bij het Europees Platform en omvat een: In het kader van het programma BUURLANDEN wordt geen subsidie verleend aan een school die gedurende de looptijd van de Subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs (Gele Katern nr. 18, 30 juli 2003) drie jaar of langer gebruik heeft gemaakt van de vergelijkbare subsidiemogelijkheden van die regeling. De Minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op alle aanvragen per aanvraagronde. Indien een zodanig aantal toe te wijzen aanvragen worden ingediend dat het beschikbare bedrag niet toereikend is, beslist de Minister met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie. Daarbij gelden, in volgorde van doorslaggevendheid, de volgende criteria: Een aanvraag voor subsidie kan zowel in 2006 als in 2007 worden ingediend. In 2006 kan een aanvraag worden ingediend tot en met 15 december. In 2007 kan een aanvraag worden ingediend tot en met 30 april. Indien het beschikbare bedrag dan niet is uitgeput kan een aanvraag nog worden ingediend tot en met 31 oktober. De subsidie bedraagt nooit meer dan 70 procent van de totale subsidiabele kosten, met dien verstande dat per school niet meer wordt verleend dan € 5.000. Van het te verlen