Art. 113 BGfo Wft, Verplichting tot inwinnen van informatie en ten hoogste toegelaten kredietvergoeding
Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo Wft)
1. Een aanbieder van krediet gaat met een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan het totale kredietbedrag meer dan € 1000 bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet voorzover zij krediet aanbieden tegen onderpand van effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, van welk krediet het totale kredietbedrag gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan zeventig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel a van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, dan wel niet hoger is dan tachtig procent van de waarde van de te verpanden effecten, indien het effecten betreffen als bedoeld in onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, en:
1°. die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt; of
2°. de waarde van die effecten als bedoeld in onderdeel a, dan wel onderdeel b van de definitie van effect in artikel 1:1 van de wet, door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet voor zover zij krediet aanbieden in de vorm van een geoorloofde debetstand die binnen drie maanden dient te worden afgelost en die niet hoger is dan het bedrag dat maandelijks op de rekening wordt gestort.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 15 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:831
- Conclusie A-G Wissink 30 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1130
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1679
- CBb 19 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:69
- CBb 28 november 2013, ECLI:NL:CBB:2013:260
- Rb. Rotterdam 28 november 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:9270
- Rb. Limburg 7 mei 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4015
- Rb. Amsterdam 31 december 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:9091
- Hof 's-Hertogenbosch 14 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:995
- Hof Amsterdam 6 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:801