Bijlage 3 Regeling vaststelling toetstermen examens financiële dienstverlening

Regeling vaststelling toetstermen examens financiële dienstverlening

Nummer toetsterm Termen T Eindterm 2a: De financiële dienstverlener inzake consumptief krediet is in staat ten behoeve van een juist en verantwoord advies de kredietbehoefte van de consument vast te stellen in termen van wensen en mogelijkheden, mede op basis van diens toekomstige situatie. 2a.1 De kandidaat kan benoemen welke elementen een rol kunnen spelen bij het bepalen van het klantprofiel. K 2a.2 De kandidaat is in staat aan de hand van het huidige en eventueel toekomstige inkomen en het (toekomstige) vermogen de financiële positie van de klant in kaart te brengen. Ti 2a.3 De kandidaat kent het verband tussen de economische looptijd van het te financieren object en de looptijd en restantschuld van het krediet en kan dit in een gegeven situatie toepassen. Tp Eindterm 2b: De financiële dienstverlener inzake consumptief krediet is in staat te bepalen of voor het realiseren van het financieringsdoel alternatieve oplossingen mogelijk zijn. 2b.1 De kandidaat kan in een gegeven situatie de eigenschappen en toepassingsmogelijkheden van alternatieve financieringsvormen, rekening houdend met bestaande vermogensbestanddelen, onderscheiden en toepassen. Ti Eindterm 2c: De financiële dienstverlener inzake consumptief krediet is in staat de benodigde informatie te verzamelen om alle relevante aspecten te kunnen meenemen in het advies. 2c.1 De kandidaat kan de elementen van een kredietaanvraag omschrijven. K 2c.2 De kandidaat kan de inkomsten en uitgaven ordenen en herberekenen tot gegevens die uitgangspunt voor de beoordeling zijn. Tp Eindterm 3a: De financiële dienstverlener inzake consumptief krediet is in staat, ten aanzien van het bemiddelen in en adviseren over consumptief krediet, de wettelijke regels met betrekking tot financiële dienstverlening alsmede de voorschriften ingevolge zelfregulering toe te passen. 3a.1 De kandidaat kan de reikwijdte en regelgeving van de Wfd en de uitwerking daarvan in het Bfd, alsmede de VFN-gedragscode, uitleggen. B 3a.2 De kandidaat ka