Art. 4:71f Wft, Basisbetaalrekening
Wet op het financieel toezicht (Wft)
1. Een bank die in Nederland betaalrekeningen aan consumenten aanbiedt, stelt consumenten die rechtmatig in de Europese Unie verblijven op verzoek in de gelegenheid een basisbetaalrekening in euro’s aan te vragen en te gebruiken, ongeacht de nationaliteit of woonplaats van de consument en ongeacht enige andere grond als bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder consumenten die rechtmatig in de Europese Unie verblijven mede verstaan consumenten die in de Europese Unie verblijven en die geen vast adres hebben dan wel in afwachting zijn van de beslissing op een asielaanvraag of die om wettelijke of feitelijke redenen niet kunnen worden uitgezet.
3. Een basisbetaalrekening omvat de diensten, genoemd in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn betaalrekeningen, voor zover de aangezochte bank die diensten ook aanbiedt aan consumenten die een andere betaalrekening dan een basisbetaalrekening aanhouden bij de betreffende bank.
4. De bank opent een basisbetaalrekening uiterlijk tien werkdagen na ontvangst van de volledige aanvraag, tenzij een of meer van de weigeringsgronden, bedoeld in artikel 4:71g van toepassing zijn.
5. De bank verplicht de aanvrager bij het openen van een basisbetaalrekening niet tot het afnemen van andere diensten of producten, tenzij het gaat om de verplichting tot het deelnemen in het eigen vermogen van de betreffende bank en de bank alle consumenten hiertoe verplicht bij het openen van een betaalrekening.
6. De bank biedt de diensten, bedoeld in het derde lid, kosteloos of tegen een redelijke vergoeding aan. De bank brengt niet meer dan een redelijke vergoeding in rekening bij de consument in geval van niet-nakoming van de verbintenissen uit hoofde van de raamovereenkomst voor betaaldiensten.
7. Het is een bank als bedoeld in het eerste lid niet toegestaan om basisbetaalrekeningen uitsluitend via internet aan te bieden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652
- Conclusie A-G Hartlief 9 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:934
- Conclusie A-G Hartlief 12 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:239
- Hof Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:121
- Rb. Amsterdam 2 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:945
- Rb. Amsterdam 20 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5869
- Rb. Amsterdam 5 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:42
- Hof Amsterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:162
- Hof Amsterdam 17 januari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:85
- Rb. Midden-Nederland 1 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5695
- Rb. Midden-Nederland 15 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1485
- Rb. Den Haag 7 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6845
- Rb. Amsterdam 8 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2633
- Rb. Amsterdam 28 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1081
- Rb. Amsterdam 1 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:388
- Rb. Amsterdam 23 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1670
- Rb. Amsterdam 15 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6678
- Rb. Amsterdam 7 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1059
- Rb. Amsterdam 7 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5662
- Rb. Amsterdam 2 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:358