Bijlage 3 Vaststellingsbesluit subsidieprogramma’s 2006–2011 ex art. 2, eerste lid, Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer: als bedoeld in artikel 2, onderdeel c
Het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer is een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie Verkeer en Vervoer (Stcrt. 2 november 2001, nr. 213), hierna te noemen: de subsidieregeling. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer, hierna te noemen: het subsidieprogramma, zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Ingevolge de subsidieregeling stelt de minister een programma vast. Het onderhavige subsidieprogramma is het vierde Programma Ruimtelijke Ordening en Vervoer. Doel van het subsidieprogramma is het realiseren van CO2-reductie bij de (her)inrichting van woon- en werklocaties door het stimuleren van a) het gebruik van integrale ontwerpmethoden met het oog op een duurzame afwikkeling van de mobiliteit en b) het aanbrengen van infrastructurele voorzieningen die een duurzame mobiliteit bevorderen. Het gebruik van integrale ontwerpmethoden wordt gestimuleerd door middel van kennisoverdracht aan gemeentelijke en provinciale ambtenaren en bestuurders. Het gebruik van integrale ontwerpmethoden houdt in dat intensieve samenwerking tussen stedenbouwkundigen/ RO ambtenaren en verkeerskundigen in een vroegtijdig stadium van het planproces voorop staat. Betrokkenheid van andere belanghebbende organisaties is nadrukkelijk gewenst. Op deze wijze wordt een ruimtelijk ontwerp gerealiseerd met aandacht voor mobiliteit én kwaliteit van de leefomgeving, waarbij bewoners en werkenden op een vanzelfsprekende manier voor die wijze van verplaatsen kiezen die voor hen en voor de omgeving het meest geschikt is. Voorbeelden van integrale ontwerpmethoden zijn VervoersPrestatie op Locatie, Langzaam Rijden Gaat Sneller en VervoersPrestatie Regionaal (hierna respectievelijk VPL, Langzaam Sneller en VPR genoemd). De VPL en VPR zijn toepasbaar op alle ruimtelijke plannen op lokaal, respectievelijk regionaal niveau, waarbij met n
- a. Het subsidieprogramma staat open voor investeringsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de subsidieregeling.
- b. Het subsidieprogramma ondersteunt projecten die zich richten op:
- – Het gebruik van integrale ontwerpmethoden gericht op CO2-reductie;
- – Het realiseren van CO2-reductie door middel van het aanbrengen of aanpassen van infrastructurele voorzieningen en aanpassingen in de ruimtelijke ordening.
- c. Projectkosten als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de subsidieregeling, die voor subsidie van kennisoverdrachtprojecten in aanmerking komen zijn:
- – de extra tijdsbesteding van gemeentelijke en provinciale ambtenaren en bestuurders die benodigd is voor het doorlopen van het plan- en ontwerpproces volgens de methodieken VPL, Langzaam Sneller, VPR of een andere integrale aanpak, ten opzichte van het volgen van een regulier planproces;
- – advieswerkzaamheden ten behoeve van de integrale ontwerpstudie door externe deskundigen op stedenbouwkundig/ RO, verkeerskundig of infrastructureel terrein;
- – werkzaamheden met betrekking tot het aanpassen of bouwen van een (uni- of multimodaal) verkeersmodel, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien het gebruik van een dergelijk model voorwaarde is om de effecten van mogelijke ontwerpvarianten, of varianten behorend bij een ander gebruikt model, aan te kunnen tonen.
- d. Voor de subsidiabele projectkosten van investeringsprojecten geldt onverkort artikel 5 van de subsidieregeling.
- a. Het resultaat van het project mag niet in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige rijksbeleid op het gebied van verkeer en vervoer, ruimtelijke ordening en milieu.
- b. Een project dient binnen drie jaar na de startdatum te zijn voltooid.
- c. Een kennisoverdrachtproject moet aan de volgende criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen:
- – Het project wordt uitgevoerd met behulp van een integrale ontwerpmethodiek. Dit betekent dat bij de uitvoering van het project – blijkend uit de projectorganisatiestructuur – tenminste de verkeers- en de stedenbouwkundig/RO verantwoordelijken samenwerken;
- – Eén van de doelstellingen van het project is het ontwikkelen van ontwerpvarianten gericht op CO2-reductie in het verkeer. Het ambitieniveau ten aanzien van de te behalen CO2-emissiereductie wordt uitgedrukt in tonnen en bedraagt tenminste 5% ten opzichte van de referentiesituatie;
- – Tijdens het project worden, naast de referentiesituatie, tenminste drie alternatieve planvarianten uitgewerkt. De CO2-uitstoot wordt voor de referentievariant en alle planvarianten berekend in ton/jaar;
- – Wanneer sprake is van een project dat betrekking heeft op een of meerdere woonlocatie(s), behelzen deze tenminste 500 woningen;
- – Wanneer sprake is van een project dat betrekking heeft op een of meerdere werklocatie(s), behelzen deze tenminste 1000 werkenden.
- d. Een investeringsproject moet aan de volgende criteria voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie:
- – De investering heeft betrekking op een infrastructurele voorziening op het wegprofiel of in de directe omgeving daarvan;
- – Het project levert een CO2-reductie in het verkeer en vervoer ten opzichte van de referentiesituatie van tenminste 75 ton per jaar gemiddeld berekend over de technische levensduur van de voorziening.
- – De investering die met het project is beoogd is geen gangbare oplossing.
- a. Voor kennisoverdrachtprojecten bedraagt de subsidie ten hoogste 50% van de subsidiabele projectkosten, tot een maximum van € 24.950,– per project.
- b. Voor investeringsprojecten bedraagt de subsidie ten hoogste 30% van de subsidiabele projectkosten. De hoogte van het subsidiebedrag wordt tevens bepaald door de subsidie-effectiviteit. De maximale waarde van de subsidie-effectiviteit bedraagt € 45,– per ton te vermijden CO2 over de gehele levensduur van de voorziening.
- a. Voor kennisoverdrachtprojecten geldt dat bij de subsidieverlening wordt beslist in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoende is aangevuld, als datum van de ontvangst van de aanvraag geldt.
- b. Indien met aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen het subsidieplafond voor kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in § 5, onder a, met inachtneming van het bepaalde in § 5, onder c, wordt overschreden, wordt de volgorde van ontvangst van die aanvragen door middel van loting bepaald. De loting wordt verricht door de opdrachtmanager van SenterNovem, in het bijzijn van tenminste twee projectadviseurs. De aanvragers worden bij de loting uitgenodigd. Indien een aanvrager van deze uitnodiging geen gebruik maakt, wordt de loting buiten zijn aanwezigheid verricht.
- c. Voor investeringsprojecten geldt dat de beschikbare gelden worden verdeeld naar rangschikking van de subsidieaanvragen, volgend de criteria zoals opgenomen in § 7.
- a. de subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is;
- b. de omvang van de CO2-reductie van het project. Het betreft de mate van vermindering van de CO2-emissie die is toe te rekenen aan Nederland, ten gevolge van het project;
- c. andere maatschappelijke effecten. Het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid en veiligheid;
- d. het herhalingspotentieel. Hierbij wordt gekeken naar:
- – de innovativiteit: de mate waarin de toe te passen technologie of het concept vernieuwend is, en hoe vaak het al toegepast wordt;
- – de voorbeeldwerking: de mate waarin de technologie of het concept binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) of elders in de markt, binnen en buiten de branche kan worden herhaald;
- e. de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische- en financiële slaagkans. Het betreft de mate waarin de risico’s worden ingeschat en de resultaten daadwerkelijk zullen worden bereikt.
- a. De subsidieontvanger vult bij de aanvraag tot subsidievaststelling een factsheet in met betrekking tot de kenmerken en resultaten van het project. De subsidieontvanger zal gedurende een periode van ten hoogste drie jaar, ingaand na de subsidievaststelling als bedoeld in artikel 18 van de subsidieregeling, op verzoek van SenterNovem de gegevens in het factsheet actualiseren. SenterNovem zal hiervoor een format verstrekken.
- b. De subsidieontvanger geeft aan de minister toestemming om de gegevens over het project te gebruiken ten behoeve van communicatieactiviteiten van de subsidieverlener.
- a. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend door Nederlandse gemeenten, provincies en regionale samenwerkingsverbanden.
- b. Indien het project door meerdere partijen gezamenlijk zal worden uitgevoerd, wordt de aanvraag op één formulier ingediend met vermelding van alle deelnemers van het project. Tevens wordt in de aanvraag vermeld welke deelnemer zal optreden als projectleider en penvoerder namens de overige deelnemers en als contactpersoon voor SenterNovem. De aanvraag wordt ondertekend door alle deelnemers aan het project.
- c. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit programma wordt geplaatst en dienen uiterlijk op donderdag 18 januari 2007 te zijn ontvangen door SenterNovem.
- – De website www.senternovem.nl/ROenV;
- – Conceptbeschrijving Langzaam Sneller. De publicatie is aan te vragen bij SenterNovem;
- – VPR basisboek, werkboek en voorbeeldenboek. De publicaties zijn aan te vragen bij SenterNovem;
- – Projectenboek Ruimtelijke Ordening en Vervoer, projectbeschrijvingen van RO&V projecten tussen 2002 en 2005. De publicatie is aan te vragen bij SenterNovem;
- – CROW-publicatie 163 ‘Vervoersprestatie op locatie (VPL)’. De publicatie is te bestellen via www.crow.nl;
- – CROW-publicatie 191 ‘Langzaam Rijden Gaat Sneller – een handreiking voor verkeerskundigen’. Op cd-rom een simulatieprogramma toegevoegd, waarmee voor lokale situaties een inschatting mogelijk is van de toepassingsmogelijkheden van het concept. De publicatie is te bestellen via www.crow.nl.
- a. bij de berekening van de beperking van de CO2-emissie geldt als referentie de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie die ontstaat dan wel gecontinueerd wordt als het project geen doorgang vindt, waarbij de in de branche gangbare praktijk de norm is;
- b. bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor investeringsprojecten de annuïteitfactor gebaseerd op een disconto van 6% en is de technische levensduur van een voorziening ten hoogste 25 jaar;
- c. het subsidiabele deel van de projectkosten kan maximaal bestaan uit de additionele kosten zoals genoemd in artikel 4 en 5 van de subsidieregeling. De berekening van het subsidiabele deel van de projectkosten vindt plaats volgens de berekeningswijze die is opgenomen in de aanvraagformulieren behorend bij dit programma.