Bijlage 2 Vaststellingsbesluit subsidieprogramma’s 2006–2011 ex art. 2, eerste lid, Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer: als bedoeld in artikel 2, onderdeel b
Het Subsidieprogramma CO2-reductie Personenvervoer, hierna genoemd het programma, is een CO2-programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer (Stcrt. 2 november 2001, nr. 213), hierna genoemd de subsidieregeling. Doel van het programma is invulling geven aan de subsidiemogelijkheden voor CO2-reductieprojecten, die voldoen aan de doelstellingen van de subsidieregeling. Het programma beperkt zich daarbij tot het ondersteunen van projecten die een substantiële bijdrage leveren aan de CO2-reductie in de sector personenvervoer. Gedacht kan worden aan een efficiëntere manier van het vervoeren van personen of het vermijden of voorkomen van het vervoer van personen. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het programma zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Ingevolge de subsidieregeling stelt de minister een programma vast. Het onderhavige programma bevat aanpassingen naar aanleiding van de ervaringen met de derde ronde van het programma. Het programma heeft een looptijd van ruim 5 jaar, van 2006 tot en met 2011. Indien niet wordt voldaan aan alle bovenstaande criteria zal de aanvraag worden afgewezen. De beschikbare gelden worden verdeeld naar rangschikking van de subsidieaanvragen. De investeringsprojecten en toepassingsprojecten worden gezamenlijk gerangschikt. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten geschiedt separaat. a. De rangschikking van investeringsprojecten en toepassingsprojecten wordt bepaald aan de hand van vijf criteria: Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan deze criteria. Hierbij geldt dat het eerste rangschikkingcriterium twee keer meeweegt en de overige vier één keer. b. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten wordt bepaald aan de hand van vier criteria: Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan bovenstaande criteria. De hiervoor
- a. Dit subsidieprogramma staat open voor investeringsprojecten, toepassingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1 van de subsidieregeling.
- b. Ten aanzien van projecten komen alle in Nederland gevestigde ondernemingen, andere Nederlandse organisaties, lokale en regionale overheden in aanmerking, die investeringen plegen of actieve kennisoverdracht uitvoeren met betrekking tot een CO2-reductieproject waarbij de CO2-emissiereductie bij het vervoer van personen, of door het vermijden van vervoer van personen, wordt gerealiseerd.
- a. Een investeringsproject voldoet in elk geval aan het volgende criterium: – het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld op, over de technische levensduur van de voorziening.
- b. Een toepassingsproject voldoet in elk geval aan de volgende criteria:
- – het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld op, berekend over een exploitatieperiode van 10 jaar vanaf de start van het project;
- – de subsidie-effectiviteit heeft een waarde van niet meer dan € 45 per ton CO2.
- c. Een kennisoverdrachtproject voldoet in elk geval aan de volgende criteria:
- – het te verlenen subsidiebedrag bedraagt ten minste € 20.000;
- – de nadruk van het project ligt op actieve kennisoverdracht die beoogt te leiden tot CO2-reductie in het personenvervoer;
- – de minister moet voldoende vertrouwen hebben dat met het project de beoogde CO2-reductie wordt gerealiseerd.
- d. Voor een project gelden voorts de volgende criteria:
- – het project dient te starten na het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Onder starten wordt verstaan het aangaan van verplichtingen en/of het maken van kosten ten behoeve van het project;
- – het resultaat van het project mag niet significant in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige beleid op het gebied van personenvervoer en milieu;
- – het project mag niet leiden tot een significant verhoogde emissie van NOx, CO, VOS of SOx noch tot een significant hoger geluidsniveau. Voor intermodale en multimodale projecten geldt dat een verandering in vervoersmodaliteit moet worden aangetoond waarbij de bestaande en de nieuwe transportketen op voorhand bekend zijn;
- – het project moet volledig gerealiseerd zijn voor 1 januari 2012. De eindrapportage en het verzoek tot vaststelling dienen uiterlijk 30 juni 2012 door SenterNovem te zijn ontvangen.
- – de subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is;
- – de omvang van de CO2-reductie van het project. Het betreft de mate van vermindering van de CO2-emissie die is toe te rekenen aan Nederland, ten gevolge van het project;
- – andere maatschappelijke effecten. Het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid (bijvoorbeeld de kwaliteit van water, lucht of geluidsoverlast) en veiligheid;
- – het herhalingspotentieel. Hierbij wordt gekeken naar:
- • de innovativiteit: de mate waarin de toe te passen technologie of het concept vernieuwend is, en de mate waarin marktintroductie plaatsvindt;
- • de voorbeeldwerking: de mate waarin de technologie of het concept binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) of elders in de markt, binnen en buiten de branche kan worden herhaald;
- – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans. Het betreft de mate waarin de risico’s worden ingeschat en de beoogde resultaten daadwerkelijk zullen worden bereikt.
- – de verhouding tussen de verwachte omvang van de CO2-emissiereductie als gevolg van het project en de kosten van het project; waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is;
- – het herhalingspotentieel: de mate waarin de projectresultaten elders in de markt kunnen worden toegepast of door hun voorbeeldwerking kunnen bijdragen aan kennisverspreiding in de markt;
- – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans. Het betreft de verwachting van de mate waarin de beoogde resultaten worden bereikt, en de mate waarin de aanvrager in staat wordt geacht het project uit te voeren;
- – andere maatschappelijke effecten dan CO2-emissiereductie: het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid (bijvoorbeeld de kwaliteit van water, lucht of geluidsoverlast) en veiligheid.
- a. bij de berekening van de reductie van de CO2-emissie geldt als referentie de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie die ontstaat dan wel gecontinueerd wordt als het project geen doorgang vindt, waarbij de bij de aanvrager dan wel de in de branche gangbare praktijk de norm is;
- b. bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor investeringsprojecten de annuïteitfactor gebaseerd op een disconto van 6% en is de technische levensduur van een voorziening ten hoogste 25 jaar;
- c. bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor toepassingsprojecten de CO2-reductie berekend over een exploitatieperiode van 10 jaar, gerekend vanaf de start van het toepassingsproject;
- d. het subsidiabele deel van de projectkosten kan maximaal bestaan uit de additionele kosten zoals genoemd in artikel 4 en 5 van de subsidieregeling. De berekening van het subsidiabele deel van de projectkosten vindt plaats volgens de berekeningswijze die is opgenomen in de aanvraagformulieren behorend bij dit programma.