Bijlage Ib Tijdelijke subsidieregeling CO2-reductie gebouwde omgeving 2006
Tijdelijke subsidieregeling CO2-reductie gebouwde omgeving 2006
Toepassing: het isoleren van de begane grondvloer of van de vloer boven een onverwarmde ruimte of de buitenlucht door middel van het aanbrengen van een isolatielaag aan de onderzijde van de vloer. Bij woningen zonder kruipruimte of een kruipruimte met een hoogte (te meten tussen de onderzijde van de begane grondvloer en de vloer van de kruipruimte) van minder dan 60 cm, is het aanbrengen van vloerisolatie aan de bovenzijde van de begane grondvloer toegestaan mits hiervoor bovenop de isolatielaag harde vloerafwerkingsmaterialen worden toegepast. Technische omschrijving: een laag isolatiemateriaal, welke niet uit in situ gespoten polyurethaan bestaat, met een warmteweerstand (R) van ten minste 2,50 m2 .K/W, of b) een in situ gespoten laag HCFK vrije polyurethaan, voorzien van een certificaat waaruit blijkt dat de laag voldoet aan de beoordelingsrichtlijn 1332/02 van het BKB, met een warmteweerstand (R) van ten minste 2,50 m2 .K/W. Uitgangspunt bij de vereiste warmteweerstand (R) is een ventilatievoorziening in twee tegenover elkaar gelegen buitenmuren, met een gezamenlijke doorlaat van 100 mm2 per m2 vloeroppervlak. Toepassing: het bedekken van de bodem van een kruipruimte met een isolerende laag, eventueel samen met het opgaande werk tot aan de begane grondvloer. Technische omschrijving: een isolerende laag met een warmteweerstand (R) van ten minste 1,30 m2 .K/W voor de bodem van de kruipruimte en van ten minste 1,30 m2 .K/W voor het opgaande werk of een warmteweerstand (R) van ten minste 3,00 m2 .K/W voor de bodem wanneer het opgaande werk niet wordt geïsoleerd. Met het opgaande werk wordt bedoeld de funderingen van buitengevels en woningscheidende muren gerekend vanaf de bodem van de kruipruimte tot aan de onderzijde van de begane grondvloer. De minimale warmteweerstand dient gewaarborgd te zijn rekening houdende met de ter plaatse mogelijke hoeveelheid staand water. Tevens dient de bereikbaarheid van eventueel aanwezige leidingen gehandhaafd te blijven. Uitgangspu