Bijlage II Loonheffingen, beleidsregels beoordeling dienstbetrekking: bij Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking
Loonheffingen, beleidsregels beoordeling dienstbetrekking
Bij het aangaan van een arbeidsrelatie is de opdrachtgever – als mogelijke werkgever – de eerst verantwoordelijke om vast te stellen of er sprake is van een dienstbetrekking. In de controlefase beoordeelt de Belastingdienst of de arbeidsverhoudingen door de opdrachtgever goed zijn gekwalificeerd. Daarbij wordt dezelfde toets gebruikt. Er moet altijd éérst getoetst worden of er sprake is van een echte dienstbetrekking en vervolgens, als die toets oplevert dat er geen dienstbetrekking is, of er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. Als er een dienstbetrekking is, dan dient inhouding van loonheffing en premies werknemersverzekeringen plaats te vinden. Met de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR is in deze beoordeling meer zekerheid en duidelijkheid gekomen ingeval een arbeidsrelatie wordt aangegaan met een VAR. Hierna wordt aangegeven: Met een VAR aanvraagformulier kan een opdrachtnemer een VAR aanvragen bij de Belastingdienst. De Belastingdienst beoordeelt de antwoorden en geeft een van de volgende vier verklaringen af: De VAR-loon geeft aan dat de aanvrager zeer waarschijnlijk de werkzaamheden in dienstbetrekking verricht. De opdrachtgever is bevoegd opdrachten en aanwijzingen te geven. De opdrachtgever is verplicht om loon te betalen, vaak ook tijdens ziekte en vakantie. Op dit loon zal bij aanwezigheid van een dienstbetrekking door de opdrachtgever loonheffingen moeten worden ingehouden en afgedragen. De VAR-loon heeft echter op grond van de wet geen rechtsgevolgen. Het gebruik van een VAR-loon heeft dus niet tot gevolg dat er uitkeringsrechten voor de opdrachtnemer ontstaan, dit is alleen het geval als er feitelijk sprake is van een (fictieve-) dienstbetrekking. Bij twijfel over het bestaan van een dienstbetrekking kunt u Bijlage III raadplegen. De VAR-row geeft op zichzelf geen uitsluitsel over het wel of niet moeten inhouden van loonheffingen. Wordt in een arbeidsrelatie gebruik gemaakt van een VAR-row dan dient de opdrachtgever vast te stellen of sprake is
- – welke rol de VAR speelt (2);
- – de geldigheid van de VAR (3);
- – wat er gebeurt bij onjuist gebruik (4).
- – de VAR loon uit dienstbetrekking (VAR-loon);
- – de VAR resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-row);
- – de VAR winst uit onderneming (VAR-winst);
- – de VAR voor rekening en risico van de vennootschap (VAR-dga).
- – de werkzaamheden moeten worden verricht binnen de geldigheidsduur van de verklaring;
- – de werkzaamheden moeten overeenkomen met de omschrijving van de werkzaamheden op de VAR;
- – de verklaring moet worden getoond aan de opdrachtgever die een kopie van de verklaring in zijn administratie moet bewaren;
- – de opdrachtgever moet de identiteit van de opdrachtnemer vaststellen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs (geen rijbewijs) en een kopie van dit identiteitsbewijs bij zijn administratie bewaren (de WID verplichtingen op grond van de Wet op de identificatieplicht).