Art. 11 Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Inspectie Werk en Inkomen 2006, Verantwoordelijkheden directie Toezicht gemeenten en overige bestuursorganen
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Inspectie Werk en Inkomen 2006
De directie Toezicht gemeenten en overige bestuursorganen is verantwoordelijk voor:
a. het houden van toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering door gemeenten van de WWB, het Bbz, de IOAW en de IOAZ en op de doeltreffendheid van die wet- en regelgeving, zoals bedoeld in artikel 37, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de wet;
b. het houden van toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering door gemeenten van de WSW en de Wwik en de doeltreffendheid van die wetten;
c. het houden van toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de Wk door gemeenten, als bedoeld in artikel 37, onderdeel b, onder 4°, van de wet;
d. het houden van toezicht op de uitvoering van wettelijke taken door het BKWI en het IB;
e. het houden van toezicht op de uitvoering van wettelijke taken door de RWI;
f. het houden van toezicht op de SER, DNB, het CTB en cki’s, voor zover dit toezicht is opgedragen aan de Minister;
g. het uitvoeren van onderzoek naar instellingen die de Minister om een aanwijzing tot cki op een werkveld hebben verzocht;
h. het rapporteren over de resultaten en kwaliteit van de uitvoering, bedoeld in de onderdelen a, b en c, en over de uitkomsten van het toezicht, bedoeld in de onderdelen d en e;
i. het opstellen van een oordeel over mogelijke risico’s voor de kwaliteit van de uitvoering;
j. het coördineren en uitvoeren van toezichtbaarheidstoetsen;
k. het geven van juridische en wetstechnische ondersteuning aan de ontwikkeling en uitvoering van de toezichtsfunctie door alle afdelingen van de Inspectie;
l. het fungeren als coördinatie- en aanspreekpunt voor de Inspectie inzake juridische aangelegenheden;
m. de inbreng van juridische expertise ten behoeve van de bedrijfsvoering van de Inspectie;
n. het inbrengen van kennis van de uitvoeringspraktijk in de beleidsvorming door het ministerie;
o. het relatiebeheer met de uitvoerende instanties binnen het gemeentelijk domein en hun vertegenwoordigende organisaties, en met de instanties, genoemd in de onderdelen c tot en met f.