Bijlage 4 Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels: behorende bij de artikelen 13, 13a, 13c en 13d van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
In deze bijlage wordt verstaan onder: verlichting bij vluchtdeuren die de deur aanstraalt en zo zichtbaar maakt; verlichting die een bepaalde plek extra benadrukt; Aqueous Film Forming Foam – schuimvormend middel dat aan water wordt toegevoegd om branden beter te kunnen blussen; apparatuurkast die geschikt is om buiten opgesteld te worden, en voldoende bescherming aan de ingebouwde apparatuur biedt; gedeelte van de geleiderails waarmee een gedeelte van de tussenberm vrij wordt gemaakt waardoor de hulpverleningsdienst en de tussenberm kunnen doorkruisen; communicatiesysteem als bedoeld in de Regeling C2000 en GMS; verlichting rond een vluchtdeur die wordt aangezet als evacuatie nodig is; mate waarin het contrast moet worden verhoogd, om het verlies aan waarneming, veroorzaakt door verblinding ten gevolge van de armaturen van de verlichtingsinstallatie, te compenseren; het vloeistofniveau waarop de pompen moeten worden uitgezet om drooglopen te voorkomen; helling in de richting loodrecht op de rijrichting van de weg; opnamevoorziening die gebeurtenissen vastlegt; een ruimte die grenst aan een vloeistofbassin en die een directe verbinding heeft met een vloeistofbassin die niet te allen tijde geheel dampdicht is; vloeistofkelder waarin uit de tunnel afgevoerde vloeistoffen tijdelijk worden opgeslagen, alvorens deze worden afgevoerd naar een lozingspunt buiten de tunnel; deur aan het einde, de kop, van een middentunnelkanaal; verhouding tussen de laagste en de hoogste waarde van de verlichting in de lengterichting gezien; ventilatie in de lengterichting van een verkeersbuis; mate waarin het licht gereduceerd wordt meting van verlichtingswaarden; gestandaardiseerde maat voor een regenbui die door het vuilwatersysteem van een tunnel verwerkt moet kunnen worden; vloeistofkelder waarin uit de tunnel afgevoerde vloeistoffen tijdelijk worden opgeslagen, alvorens ze worden afgevoerd naar de hoofdkelder; kanaal tussen twee aangrenzende verkeersbuizen dat dienst doet als vluchtro
- a. kunnen op een veilige en eenvoudige wijze worden onderhouden en geïnspecteerd, waarbij de beschikbaarheid van de tunnel voor wegverkeer zo min mogelijk wordt beïnvloed;
- b. b worden buiten het profiel van de vrije ruimte geplaatst, tenzij dat vanwege de aard en de toepassing van het betreffende onderdeel niet mogelijk is;
- c. functioneren ten minste bij verkeer dat passeert met snelheden tot en met de ontwerpsnelheid van de verkeersbuis;
- d. zijn beveiligd tegen blikseminslag.
- 1. Indien de rijbaan uit één rijstrook bestaat beschikt de verkeersbuis over hulpposten van het type 1.
- 2. Indien de rijbaan uit één rijstrook bestaat en er daarnaast een ruimtereserveringsstrook is, worden de hulpposten van het type 1 aan de zijde van de ruimtereserveringsstrook geplaatst.
- 3. Indien de rijbaan uit twee rijstroken bestaat, beschikt de verkeersbuis over hulpposten van het type 1. Indien de hulpposten aan de vanuit de rijrichting gezien linkerzijde worden geplaatst, worden er aan de rechterzijde tevens hulpposten van het type 2 geplaatst. De hulpposten worden recht tegenover elkaar aangebracht.
- 4. Indien de rijbaan uit meer dan twee rijstroken bestaat, beschikt de verkeersbuis aan de ene zijde van de rijbaan over hulpposten van het type 1 en aan de andere zijde over hulpposten van het type 2. De hulpposten worden recht tegenover elkaar aangebracht.
- 5. De afstand tussen twee hulpposten aan een zijde is ten hoogste 60 meter.
- 1. Hulpposten van het type 1 bevatten voor tunnels langer dan 500 meter:
- a. een noodtelefoon;
- b. een draagbaar brandblusapparaat;
- c. inwendige verlichting;
- d. een wandcontactdoos die geschikt is voor 230V en die 16A gezekerd is;
- e. een slanghaspel, en
- f. een dubbele brandslangaansluiting met elk een doorsnede van 2.5 inch.
- 2. Hulpposten van het type 1 bevatten voor tunnels langer dan 250 meter en ten hoogste 500 meter:
- a. een draagbaar brandblusapparaat;
- b. inwendige verlichting;
- c. een wandcontactdoos die geschikt is voor 230V en die 16A gezekerd is;
- d. een dubbele brandslangaansluiting met elk een doorsnede van 2.5 inch, en
- e. een voorziening om de blusvoorziening op druk te brengen.
- 3. Een hulppost van het type 1 is onderverdeeld in een deel ten behoeve van de weggebruiker, welke is aangebracht achter een eerste openende deur, en een technisch deel ten behoeve van de hulpverleningsdiensten.
- 4. Bij iedere vluchtdeur is binnen een straal van tussen de 2 en 10 meter binnen de verkeersbuis een hulppost van type 1 aanwezig, gemeten vanaf de vluchtdeur in de ontwerprijrichting.
- 1. Hulpposten van het type 2 bevatten voor tunnels langer dan 500 meter:
- a. een noodtelefoon;
- b. een draagbaar brandblusapparaat;
- c. inwendige verlichting, en
- d. een wandcontactdoos geschikt voor 230V en die 16A gezekerd is.
- 2. Hulpposten van het type 2 bevatten voor tunnels langer dan 250 meter en ten hoogste 500 meter:
- a. een draagbaar brandblusapparaat;
- b. inwendige verlichting, en
- c. een wandcontactdoos geschikt voor 230V en die 16A gezekerd is.
- 1. De volgende acties worden in een tunnel langer dan 500 meter automatisch gedetecteerd en gemeld aan het besturingssysteem:
- a. Het openen van de hulppost;
- b. Het uit een houder nemen van een blusapparaat, en
- c. Het uitnemen van de spuitmond van de slanghaspel.
- 2. Bevriezing van de blusmiddelen in de hulpposten wordt voorkomen.
- 1. Boven elke hulppost zijn de intern verlichte pictogrammen L16 en L17 zoals bedoeld in het RVV 1990 aangebracht.
- 2. De pictogrammen zijn in langsrichting van de verkeersbuis van beide zijden ten minste van af een afstand van 30 meter herkenbaar.
- 3. De pictogrammen zijn op een hoogte van 3,20 meter ten opzichte van het wegdek aangebracht.
- 1. Het blusdebiet van de slanghaspel bedraagt bij volledig geopende spuitmond ten minste 100 liter per minuut.
- 2. De worplengte van de slanghaspel, zoals gedefinieerd in NEN-EN 671-1, is bij spuiten met een gebonden straal ten minste 17,5 meter bij een meewind tussen 2,5 m/s en 5 m/s. Bij het bepalen van de worplengte wordt het schuimconcentraat volgens artikel 3.7 toegevoegd aan de straal.
- 3. De energievoorziening is geschikt voor het op hun aansluitvermogen continu belasten van de wandcontactdozen van twee hulpposten van type 1.
- 4. Van hulpposten die in de wand tussen de verkeersbuis en het vluchtkanaal zijn aangebracht kent de hulppostkastconstructie een brandwerendheidsklasse EI1 voor 60 minuten en EW voor 120 minuten overeenkomstig NEN 6069, waarbij de RWS brandkromme als bedoeld in NEN-EN 1991-1-2/NB wordt gehanteerd.
- 1. Het technisch deel van een hulppost van het type 1 bevat een voorziening die bij blussen met de slanghaspel ten minste de eerste 25 minuten een schuimconcentraat toevoegt aan het bluswater.
- 2. Het in het eerste lid bedoelde schuimconcentraat heeft de volgende eigenschappen:
- a. het voldoet aan EN 1568 deel 3: 2018, met een rating van ten minste IIID die is afgegeven door een geaccrediteerd laboratorium volgens EN ISO/IEC 17025;
- b. het is geschikt om met de straalpijp van de slanghaspel de minimale expansie conform EN 1568 deel 3: 2018 te halen die volgens de fabrikant van de slanghaspel nodig is voor effectieve blussing; de expansie is bovendien niet hoger dan 150% van deze door de fabrikant opgegeven waarde, en
- c. het is geschikt voor de bijmenger in de hulppostkast.
- 1. Hulpposten van type 1 zijn uitgevoerd met twee scharnierende deuren.
- 2. Hulpposten van type 2 zijn uitgevoerd met één scharnierende deur.
- 3. Een deur kan ten minste 175 graden worden geopend.
- 4. Het technisch deel is visueel afgeschermd met behulp van matglas in de tweede deur.
- 5. De deuren van hulpposten:
- a. weerstaan drukgolven van vrachtverkeer, en
- b. sluiten de hulppost dusdanig af dat inwendige vervuiling en het genereren van detecties door passerend verkeer wordt voorkomen.
- 1. Het kozijn van de hulppost wordt uitgevoerd in de kleur rood RAL 3000.
- 2. De eerst openende deur is voorzien van een doorzichtig venster, waarbij de ondoorzichtige delen van deze deur de kleur rood RAL 3000 hebben.
- 3. De inwendige verlichting schijnt met voldoende helderheid door de eerst openende deur heen en hindert het verkeer in beide rijrichtingen niet.
- 4. Het technisch deel wordt in grijs uitgevoerd.
- 1. De haspels van de slanghaspels in hulppost type 1 en de draagbare brandblusapparaten in hulpposten type 1 en 2 hebben de rode kleur RAL 3000.
- 2. De ronde vorm van de slanghaspel wordt door middel van de rode kleur doorgetrokken op de ophangconstructie.
- 3. De achtergrond van de slanghaspel wordt in een lichte tint uitgevoerd.
- 4. De spuitmond van een slanghaspel wordt in de rode kleur uitgevoerd.
- 1. Op de slanghaspel staat in zwarte letters met een letterhoogte van 15 millimeter op een witte achtergrond de tekst: WATER MET SCHUIM VOOR ALLE BRANDEN.
- 2. Op het draagbare brandblusapparaat staat in zwarte letters met een letterhoogte van 15 millimeter op een witte achtergrond de tekst: WATER MET SCHUIM KORTE BLUSDUUR.
- 3. Bij de noodtelefoon staat in zwarte letters met een letterhoogte van 10 millimeter op een witte achtergrond de tekst: DIRECT CONTACT LUISTER NAAR INSTRUCTIES.
- 1. De slanghaspel kantelt of draait bij het uitnemen van de spuitmond automatisch in zijn geheel tot buiten het wandvlak zodat de slang vrij van de tunnelconstructie kan worden uitgerold.
- 2. Het kantelen van de haspel of de uitgekantelde haspel belemmeren de overige functies in de hulppost niet.
- 3. De lengte van de brandslang is 5 meter langer dan de afstand tot een volgende brandslanghaspel in een hulppost in dezelfde verkeersbuis.
- 1. De bluscapaciteit van het draagbare brandblusapparaat is ten minste 21A/183B.
- 2. Het totale gewicht van de blusser is ten hoogste 16 kilogram.
- 3. Het draagbare brandblusapparaat is een sproeischuimblusser.
- 1. De hulppost is voorzien van een unieke codering, volgens de volgende systematiek: buiscode – nummer, waarbij de buiscode als volgt wordt bepaald:
- a. Bij een tunnel met 2 buizen: Li en Re.
- b. Bij een tunnel met 4 buizen: P Li, H Li, H Re, P Re.
- c. Bij een tunnel met een verkeersbuis met tidal-flow verkeer deze buis aanduiden met Wi.
- 2. Het nummer, bedoeld in het eerste lid, wordt als volgt bepaald:
- a. Nummering loopt mee met de hectometrering;
- b. Bij tunnels met hulpposten aan beide zijden van de rijbaan bevinden de even nummers zich aan de ene zijde en de oneven nummers zich aan de andere zijde van de rijbaan.
- 1. De verlichting van een verkeersbuis bestaat uit:
- a. een toegangszone, welke begint op ten minste de stopafstand voor het ingangsportaal op basis van de ontwerpsnelheid en eindigt bij het ingangsportaal;
- b. een ingangszone, bestaande uit een drempelzone, welke lengte gelijk is aan de stopafstand op basis van de ontwerpsnelheid, en een overgangszone, welke voldoende lang moet zijn om het verlichtingsniveau gelijkmatig te kunnen laten afnemen, zodanig dat het voor de weggebruikers mogelijk is om in een dagsituatie bij het binnen rijden van de verkeersbuis te kunnen wennen aan de overgang van het lichtniveau buiten de verkeersbuis naar het lichtniveau in de centrale zone van de verkeersbuis;
- c. een centrale zone, en
- d. een verlatingszone, welke begint bij het uitgangsportaal en eindigt op ten minste de stopafstand en op ten hoogste twee maal de stopafstand van het uitgangsportaal.
- 2. In aanvulling op het eerste lid, bestaat de verlichting van een verkeersbuis tevens uit een uitgangszone indien op basis van de ontwerpsnelheid, de passagetijd van een weggebruiker meer dan 30 seconden bedraagt en het luminantieniveau in de centrale zone lager is dan 10 cd/m2.
- 1. Het lichtniveau in de toegangszone en de verlatingszone is zodanig dat de weggebruiker voldoende zicht heeft om de verkeerssituatie te beoordelen en dat hij voldoende contrasten kan waarnemen.
- 2. Het lichtniveau in de ingangszone en in de uitgangszone is in een nachtsituatie gelijk aan het lichtniveau in de centrale zone als bedoeld in artikel 4.5.
- 1. De verlichting heeft een automatische regeling die op basis van de tijd, de rijrichting en luminantiemeting, het verlichtingsniveau van elke zone bepaalt en waarbij de overgangen tussen dagsituatie en nachtsituatie instelbaar zijn.
- 2. De verlichting kan uit de automatische regeling worden gehaald, waarna deze op een vastgesteld niveau kan worden geschakeld.
- 3. In een dagsituatie gaat elke zone bij uitval van alle luminantiemetingen automatisch naar een vooraf gedefinieerd instelbaar niveau.
- a. een frequentie tussen 4Hz en 11Hz, die langer duren dan 10 seconden en
- b. frequenties tussen 2,5Hz en 4Hz en tussen 11Hz en 15 Hz, die langer duren dan 20s.
- 1. Bij de ingang van iedere verkeersbuis bevindt zich een hulpdienstpaneel.
- 2. De hulpdienstpanelen worden uitgevoerd als buitenopstellingskast en worden op veilige afstand van ten minste 150 meter van de ingang van de verkeersbuis geplaatst.
- 1. Op het hulpdienstpaneel kan het detailbeeld dat door het camerasysteem wordt getoond aan de wegverkeersleider worden weergegeven op een presentatiescherm met een beeldschermdiameter van minimaal 17 inch.
- 2. Het hulpdienstpaneel is niet verlicht.
- 3. Het hulpdienstpaneel is voorzien van een intercom, welke rechts van het presentatiescherm wordt geplaatst.
- 4. Het openen van een hulpdienstpaneel wordt gedetecteerd.
- 1. De rijbaan in de verkeersbuis, inclusief de toeritten, is voorzien van een verkeersmanagementsysteem.
- 2. Per signaleringsraai wordt 1 signaalgever per rijstrook per rijrichting toegepast.
- 1. Ventilatie wordt uitgevoerd als mechanische langsventilatie.
- 2. De ventilatierichting van de ventilatie bedoeld in het eerste lid kan worden omgekeerd, tenzij de rijrichting van direct naastgelegen verkeersbuizen gelijk is.
- 3. Indien tegen de rijrichting in geventileerd moet worden om de buis rookvrij te houden, is de geïnstalleerde ventilatiecapaciteit tegen de rijrichting in minimaal 33% van de ventilatiecapaciteit met de rijrichting mee.
- 4. Bij uitval van de besturing schakelt de ventilatie indien die niet actief is, in en ventileert met de rijrichting mee met 33% van de functioneel benodigde capaciteit.
- 5. Bij uitval van de besturing terwijl de ventilatie actief is, blijft de ventilatie in de ingestelde richting ventileren volgens de ingestelde of een hogere stand, waarbij de capaciteit ten minste 33% van de functioneel benodigde capaciteit is.
- 1. De kans op systeemfalen van de ventilatie is voor elk van de aangegeven brandvermogens kleiner dan de in onderstaande tabel aangegeven waarden:
- 2. Met de uitval van ventilatoren of verminderde werking van ventilatoren ten gevolge van de brand wordt rekening gehouden gedurende de eerste 60 minuten van de brand. Bij de berekening van de faalkans voor systeemfalen hoeft de kans op technisch falen niet mee te worden gerekend.
- 3. Onder de kans op systeemfalen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: de kans dat de minimale langssnelheid niet wordt gehaald.
- 4. De aangegeven minimale langssnelheid, als bedoeld in het eerste lid, is de snelheid waarbij het terugstromen van rook tegen de ventilatierichting in wordt tegengegaan.
- 1. In een calamiteitensituatie voorkomt de ventilatie in de niet-incidentbuis, onder normale weersomstandigheden, rookterugslag.
- 2. In een calamiteitensituatie is het geluidsniveau van de ventilatie in de niet-incidentbuis, onder normale weersomstandigheden, ten hoogste 55 dB(A) gemeten buiten de directe nabijheid van de ventilator
- 3. Indien de hulpverleningsdiensten het commando over de tunnel hebben overgenomen, kunnen zij in afwijking van het eerste en tweede lid besluiten om de tunneloperator te verzoeken de ventilatie bij of af te schakelen.
- 1. De zichtmetingen hebben een bereik van 0 tot 0,015/m.
- 2. De maximaal toelaatbare meetafwijking per individuele meting is 5% van de maximum waarde van het meetbereik bij luchtsnelheden ≥4m/s en 10% van de maximum waarde van het meetbereik bij luchtsnelheden <4m/s.
- 3. Elke zichtmeting is het gemiddelde van de laatste 30 seconden op basis van een bemonstering per seconde.
- 4. De meetpunten van de luchtkwaliteitmeter worden buiten de kernstraal van de ventilatoren geplaatst.
- 1. Door middel van CCTV kan op iedere locatie in de verkeersbuis elk mogelijk incident geobserveerd worden en kan in de hele verkeersbuis de verkeerssituatie herkend worden en worden:
- a. alle voertuigen geïdentificeerd;
- b. personen herkend;
- c. de standen van het verkeerslicht herkend.
- 2. Voor het actueel kunnen observeren worden pan tilt zoom CCTV camera's gebruikt.
- 3. De camera’s zijn zo geplaatst dat gekeken wordt met de rijrichting mee; de uitgangspositie van camera's is ook met de rijrichting mee.
- 1. De omroepinstallatie is per verkeersbuis, inclusief toeritgebied, in secties ingedeeld.
- 2. Een sectie van de omroep in de verkeersbuis als bedoeld in het eerste lid, is het gebied welke door het gehele beeldveld van één camerabeeld wordt afgedekt.
- 3. De luidsprekers van de omroep worden zo in secties opgedeeld dat het geluid verstaanbaar is binnen het gehele beeldveld dat zichtbaar is door één camera. Hiervoor kunnen luidsprekers aan meer dan één sectie worden toegekend.
- 4. De omroepinstallatie kan zowel vooraf opgenomen boodschappen als een rechtstreeks ingesproken boodschap afspelen in een, meerdere, of alle secties.
- 5. Een gesproken boodschap via de omroepinstallatie wordt voorafgegaan door een 'dingdong' attentiesignaal.
- 1. De omroepinstallatie beschikt ten minste over een opslagcapaciteit voor 30 boodschappen met elk een lengte van 40 seconden.
- 2. De omroepinstallatie functioneert in het kader van het normale menselijk gehoor binnen de grenzen van 250 tot en met 8.000 Hertz.
- 3. Het ontwerp van het omroepsysteem voldoet ten minste aan de Speech Transmission Index richtlijnen bedoeld in norm IEC 60268.
- 1. De gemiddelde STI waarde is niet kleiner dan de in de onderstaande tabel aangegeven waarden, waarbij de standaarddeviatie niet groter is dan de in de tabel bijbehorende standaarddeviatie.
- 2. Bij verificatie van de STI betreft het de verstaanbaarheid van de omroep buiten het voertuig, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
- a. Het weergaveniveau ligt onder 105 dB(A);
- b. De meting geschiedt op 1,5 meter hoogte;
- c. De afstand tussen de meetpunten bedraagt 5 tot 7,5 meter;
- d. De meting geschiedt op het midden van de rijstrook;
- e. Elke meting duurt ten minste 20 seconden;
- f. Er zijn ten minste 40 meetpunten verdeeld over de rijstroken van een sectie, en
- g. Er wordt gemeten in de bandbreedte van de octaafbanden 250 Hertz tot en met 8.000 Hertz, waarbij de ruisvloer ten minste 15dB onder het nominale spraakniveau ligt.
- 3. Bij een steekproefgrootte van 60 meetpunten mag de toelaatbare standaarddeviatie uit bovenstaande tabel met 0,005 worden verhoogd.
- 1. In de verkeersbuizen heeft de omroep geen hogere geluidsdruk dan 105 dB(A).
- 2. De geluidsdruk van de omroep ligt tussen de 10 en 13dB(A) hoger dan het specifieke omgevingslawaai in de verkeersbuis bij ventilatie en verkeer met een snelheid van 70km/h.
- 1. De hoog frequent-installatie levert ten minste de volgende diensten:
- a. Het ontvangen en heruitzenden van ten minste 8 openbare radiokanalen in de verkeersbuis;
- b. Het heruitzenden onderbreken;
- c. Het uitzenden van vooraf opgenomen boodschappen;
- d. Het uitzenden van een korte tekstuele boodschap voor weergave op een display in een voertuig.
- 2. Indien de aard van de radiodoorgave veranderd wordt, realiseert het systeem de nieuwe toestand binnen 1 seconde.
- 1. De noodtelefoon in de verkeersbuis voldoet ten minste aan de Speech Transmission Index (STI)-richtlijnen vastgelegd in [IEC60268].
- 2. De gemiddelde STI waarde per noodtelefoon is niet kleiner dan de in de onderstaande tabel aangegeven waarden, waarbij de standaarddeviatie niet groter mag zijn dan de in de tabel bijbehorende standaarddeviatie.
- 3. De noodtelefoon in tunnels langer dan 500 meter voldoet voor zowel spreken als luisteren, zowel bij de hulppost als in de verkeerscentrale, aan het gestelde criterium voor STI in gebruikssituaties met rijdend verkeer met een snelheid van 70km/h in combinatie met 87dB(A) ventilatorlawaai in de verkeersbuis en normaal omgevingsgeluid in de verkeerscentrale.
- 1. Een rij van vluchtdeuren bestaat uit zelfsluitende schuifdeuren.
- 2. De vluchtdeuren openen met de ontwerprijrichting mee.
- 3. De vluchtdeuren hebben alleen aan de verkeersbuiszijde een vaste handgreep om de deur te kunnen openen. Aan de zijde van het middentunnelkanaal worden de deuren met een losse handgreep geopend.
- 4. Het tweede lid is niet van toepassing op een veilige vluchtroute, bedoeld in artikel 13, eerste lid onder bb, onder iii.
- 1 De afstand tussen de mond van de tunnel en de dichtstbijzijnde vluchtdeur is ten hoogste 100 meter of, als het vluchtdeuren naar dwarsverbindingen betreft, ten hoogste 250 meter.
- 2 De onderlinge afstand tussen naast elkaar gelegen vluchtdeuren is ten hoogste 100 meter of, als het vluchtdeuren naar dwarsverbindingen betreft, ten hoogste 250 meter.
- 1. De wanden van de verkeersbuizen zijn voorzien van geleidebarriers.
- 2. Ter plaatse van de vluchtdeuren is de geleidebarrier voorzien van een opstap.
- 3. In de opstap vanaf het wegdek in de verkeersbuis naar de dorpel van de vluchtdeur is de hoogte van de trede ten hoogste 300 millimeter, en de aantrede niet minder dan 250 millimeter. De breedte van de opstap is in tunnels 1.600 millimeter, ten behoeve van omstanderhulp bij het door de vluchtdeur helpen van niet-zelfredzame mensen.
- 4. Ter plaatse van de opstap als bedoeld in het tweede lid is het bovenste gedeelte van de geleidebarrier in de rijrichting voorzien van een afschuining, ter voorkoming van een haaks aanrijdpunt voor het verkeer.
- 1. Vluchtdeurconstructies kennen een brandwerendheidsklasse EI1 voor 60 minuten en EW voor 120 minuten overeenkomstig NEN 6069, waarbij de RWS brandkromme als bedoeld in NEN-EN 1991-1-2/NB wordt gehanteerd.
- 2. De vluchtdeurconstructie is rookwerend gemaakt door het rondom aanbrengen van een opschuimend middel, dat bij blootstelling aan een hoge temperatuur (≥190 °C) de gehele kier tussen de vluchtdeur en de civiele constructies afdicht.
- a. in de kleur groen volgens RAL 6024;
- b. op de deur een afbeelding van een vluchtend persoon conform NEN 3011; de hoogte van de vluchtende persoon is 500 millimeter.
- c. op de deur wordt met een gekromde pijl de draairichting van de handgreep aangegeven.
- d. de bovenste 200 millimeter van de handgreep is in wit uitgevoerd;
- e. op de deur is de tekst ‘OPEN’ aangebracht.
- a. de wanden van de inkassing hebben de kleur groen volgens RAL 6024;
- b. aan weerszijden, in de dagkant van de inkassing, op een hoogte van 1.200 millimeter boven het wegdek, is de afbeelding van een richting de deur vluchtend persoon aangebracht. De hoogte van de afbeelding wordt eventueel aangepast aan de beschikbare ruimte.
- 1. De deurnummering bedoeld in artikel 17.14 heeft de volgende systematiek: buiscode – tweecijferig volgnummer, waarbij de buiscode als volgt wordt bepaald:
- a. bij een tunnel met 2 buizen: Li en Re.
- b. bij een tunnel met 4 buizen: P Li, H Li, H Re, P Re, en
- c. bij een tunnel met een tidal-flow-buis wordt die buis aangeduid met: Wi.
- 2. Voor tunnels die na 1 januari 2024 worden opengesteld of vóór die datum een omgevingsvergunning voor de bouwwerkzaamheden hebben gekregen, wordt het nummer als volgt bepaald:
- a. nummering loopt mee met de hectometrering, en
- b. tegenover elkaar liggende vluchtdeuren van een middentunnelkanaal of een dwarsverbinding hebben hetzelfde nummer.
- 1. De vluchtdeuren aan de vluchtkanaalszijde in het middentunnelkanaal worden als volgt uitgevoerd:
- a. in de kleur grijs volgens RAL 7035;
- b. met een afbeelding erop conform de volgende figuur in een diameter van 400 millimeter:
- 2. De vluchtdeuren aan de vluchtkanaalzijde in de dwarsverbinding worden overeenkomstig artikel 17.12 uitgevoerd, waarbij in afwijking van artikel 17.12, onderdeel b, een pictogram als bedoeld in het derde lid is aangebracht op een hoogte van 1.300 mm boven de vloer.
- 3. Het pictogram, bedoeld in het tweede lid, bevat, in wit op een groene achtergrond volgens RAL 6024, een afbeelding van een vluchtend persoon met risico snelweg overeenkomstig onderstaand figuur:
- 1. In alle andere gevallen dan in artikel 17.1 bedoeld, is een verkeersbuis uitgerust met een rij van vergrendelbare vluchtdeuren, die in gesloten toestand vergrendeld of ontgrendeld zijn.
- 2. Paragraaf 17 is, met uitzondering van artikel 17.2, derde lid, van overeenkomstige toepassing op een rij van vergrendelbare vluchtdeuren.
- 1 In het geval van een middentunnelkanaal met als vluchtuitgang de laatste deur van de rij van vergrendelbare vluchtdeuren naar de ondersteunende buis heeft slechts deze deur vergrendeling en aan de zijde van het middentunnelkanaal een vaste handgreep om deze te kunnen openen.
- 2 Op de laatste deur van de rij van vergrendelbare vluchtdeuren als bedoeld in het eerste lid is aan de vluchtkanaalszijde een pictogram aangebracht als bedoeld in art. 17.16, derde lid, op een hoogte van 1.300 mm boven de vloer.
- 3 In het geval van dwarsverbindingen hebben de vluchtdeuren aan de zijde van de dwarsverbinding een vaste handgreep om deze te kunnen openen.
- 1. De vluchtdeurindicatie in tunnels langer dan 500 meter heeft de volgende voorzieningen van visuele en auditieve aard om de aanwezigheid en locatie van een vluchtdeur aan te geven:
- a. aanstraalverlichting
- b. contourverlichting
- c. intern verlichte pictogrammen
- d. geluidsbakens.
- 2. Elk geluidsbaken kan:
- a. opgenomen boodschappen uitzenden, en
- b. afzonderlijk tijdelijk uitgezet worden om een eventuele omroepboodschap in een sectie goed verstaanbaar te laten zijn.
- 3. Verlichte pictogrammen en aanstraalverlichting staan altijd aan, behalve in geval van onderhoud of uitzonderlijke situaties.
- 4. Contourverlichting en geluidsbakens worden alleen ingeschakeld bij evacuatie.
- 5. De vluchtdeurindicatie in tunnels langer dan 250 meter en ten hoogste 500 meter heeft de volgende voorzieningen van visuele en auditieve aard om de aanwezigheid en locatie van een vluchtdeur aan te geven: