Bijlage 1 Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek: verklaringen inzake de berekening van investeringsaftrek en desinvesteringsbijtelling bij aanwending van een herinvesteringsreserve of gebruikmaking van de ruilarresten
Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek
Aan de inspecteur van de Belastingdienst……/kantoor…….. De ondergetekende,......................te........................, SoFi-nummer.............. verzoekt voor de heffing van inkomstenbelasting c.q. vennootschapsbelasting over het jaar ....... toepassing van onderdeel 3.2 van het besluit van 8 maart 2006, nr. CPP2005/1463M, met betrekking tot de volgende bedrijfsmiddelen: 1. ...................................................... 2. ...................................................... De afgestane bedrijfsmiddelen zijn: 1. ...................................................... 2. ...................................................... ............................................................... (plaats) ............................................................... (dagtekening) ............................................................... (handtekening)
- – De ondergetekende verklaart dat bij de berekening van de grondslag voor het verlenen van investeringsaftrek is uitgegaan van de reële waarde van zowel het vervangende als het afgestane bedrijfsmiddel.
- – Voorts verklaart ondergetekende akkoord te gaan met de volgende voorwaarden:
- a. Is investeringsaftrek genoten over de kostprijs van een bedrijfsmiddel zonder dat deze is verminderd met de op voet van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 gevormde herinvesteringsreserve ter zake van het afgestane bedrijfsmiddel, dan zal de desinvesteringsbijtelling met betrekking tot het desbetreffende bedrijfsmiddel worden berekend over de overdrachtsprijs dan wel de waarde in het economische verkeer van deze bedrijfsmiddelen.
- b. Indien blijkt dat is uitgegaan van een te hoge grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek, wordt ondergetekende geacht geen verzoek om toepassing van het in deze verklaring bedoelde besluit te hebben gedaan, zodat de investeringsaftrek alsnog overeenkomstig de in BNB1976/51 weergegeven opvatting van de Hoge Raad moet worden berekend.