Bijlage 10 Rvp aow
Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Rvp aow)
Het lumbosacraal radiculair syndroom (LRS) is het klinisch beeld dat wordt gekenmerkt door uitstralende pijn in het been of de bil, in het verzorgingsgebied van een of meer van de lumbosacrale zenuwwortels, al dan niet gepaard gaand met andere prikkelingsverschijnselen en neurologische uitvalsverschijnselen van de aangedane zenuwwortel(s). Het LRS gaat vaak samen met lage rugpijn. Dit is echter niet kenmerkend: de beenklachten staan op de voorgrond. Het beloop is in het algemeen gunstig. Op grond van het re-integratieverslag of andere beschikbare gegevens tracht de verzekeringsarts te achterhalen waarom herstel en werkhervatting gestagneerd zijn. Hij gaat na: * De nummers tussen haakjes verwijzen naar hoofdstukken en paragrafen in de toelichting bij het protocol. Als de verzekeringsarts weet dat er sprake is of is geweest van een LRS, realiseert hij zich dat de prognose van de uitstralende pijn in het been in het algemeen goed is. Paresen en gevoelstoornissen kunnen echter blijven bestaan. Een vertraagde re-integratie kan veroorzaakt worden door de resterende verschijnselen van het LRS, maar ook door de bijkomende lage rugpijn of door andere, bijvoorbeeld psychische of sociale, factoren. In het beoordelingsgesprek verzamelt de verzekeringsarts de gegevens die hij nodig heeft voor een multifactoriële analyse van de actuele problematiek van de werknemer. Hij besteedt aandacht aan: Het medisch onderzoek bestaat uit anamnese en lichamelijk onderzoek en is gericht op: De verzekeringsarts wint zo nodig informatie in bij derden. De verzekeringsarts overweegt onderzoek door derden in geval van: Twee jaar na het ontstaan van een LRS, waarbij geen comorbiditeit is aangetoond, zullen beperkingen van de functionele mogelijkheden vooral voortkomen uit de resterende neurologische prikkelings- en uitvalsverschijnselen, te weten sensibiliteitsstoornissen, krachtverlies en de blijvende gevolgen van een cauda-syndroom (defecatie- en mictiestoornissen). Rugklachten die het functionere
- – Dit protocol dient te worden gelezen in samenhang met de Algemene inleiding bij de verzekeringsgeneeskundig protocollen, waarin bedoeling, structuur en beoogde toepassing van de protocollen worden toegelicht.
- – Van dit protocol kan gemotiveerd worden afgeweken.
- – Waar ‘hij’ en ‘zijn’ staat kan ook ‘zij’ en ‘haar’ gelezen worden.
- – Aard en ernst van de klachten en symptomen:
- • Wat waren aard en ernst van de klachten en symptomen bij aanvang van de verzuimbegeleiding door de bedrijfsarts en wat was het beloop?
- – Diagnostiek: (4.1)*
- • Welke diagnose(n) is (zijn) gesteld en door wie?
- • Is er overeenstemming over de diagnose(n) tussen de betrokken disciplines?
- • Is de werknemer bij onvoldoende herstel na zes tot acht weken door de huisarts naar een neuroloog verwezen?
- • Heeft nadere diagnostiek plaatsgevonden, zoals beeldvormend onderzoek?
- • Is sprake van comorbiditeit?
- – Behandeling: (4.3)
- • Welke behandeling(en) heeft (hebben) plaatsgevonden?
- • Heeft de cliënt voldoende en juiste voorlichting gekregen over de aandoening, het te verwachten beloop en de mogelijke behandeling?
- • Zijn in de loop der tijd tegenstrijdige (behandel)adviezen gegeven? Zo ja, hoe is hierop gereageerd door de betrokkenen?
- • Indien operatieve behandeling heeft plaatsgevonden: wat was de indicatie?
- • Heeft de werknemer na de operatie deelgenomen aan een oefenprogramma?
- – Herstelgedrag/probleemoplossend gedrag werknemer:
- • Kon de cliënt zich verenigen met de behandeladviezen?
- • Heeft de werknemer zich onder behandeling gesteld bij verwijzing en zijn de behandeladviezen opgevolgd?
- • Heeft de werknemer zelf (herhaald) aangedrongen op medisch-technisch onderzoek of operatieve behandeling zonder dat hiervoor een medische indicatie was?
- • Wat heeft de werknemer nog meer gedaan om zijn herstel en re-integratie te bevorderen?
- – Belemmeringen van herstel en werkhervatting in het werk: (5)
- • Was in het werk sprake van factoren die het LRS kunnen doen toenemen of instandhouden, zoals tillen en dragen van lasten, veelvuldig buigen of draaien van de romp of lichaamstrillingen?
- • Zo ja, wat is gedaan om deze weg te nemen?
- – Belemmeringen van herstel en werkhervatting bij de werknemer:
- • Is sprake van factoren bij de werknemer zelf of in diens omgeving die de re-integratie bemoeilijken?
- • Zo ja, wat is gedaan om deze weg te nemen?
- – Werkhervatting:
- • Hoe heeft de bedrijfsarts in de loop der tijd de functionele mogelijkheden van de werknemer beoordeeld?
- • Was sprake van verschil van mening tussen bedrijfsarts, werknemer of werkgever over de belastbaarheid? Zo ja, is een beroep gedaan op een deskundigenoordeel?
- • Wat hebben werknemer en werkgever gedaan om werkhervatting te realiseren?
- • Is tijdig gereageerd op stagnatie van de re-integratie en is toen het plan van aanpak bijgesteld?
- – de visie van de werknemer op:
- • zijn mogelijkheden en beperkingen in werk en persoonlijk en sociaal functioneren
- • de oorzaken van de klachten en van het uitblijven van herstel en (volledige) werkhervatting
- • de mate waarin bewegen en belasten zijn gezondheid schaden
- • wat hij nog zou kunnen doen om zijn functionele mogelijkheden te verruimen
- • de betekenis van betaalde arbeid in zijn levensplan
- – de lacunes in de aanwezige gegevens over de voorgeschiedenis, voor zover relevant voor de beoordeling
- • de actuele functionele mogelijkheden van de werknemer, onder meer door te vragen wat hij doet op een ‘gemiddelde’ dag en door te informeren naar de gevolgen van zijn klachten voor verschillende levensgebieden
- • de actuele herstelbelemmerende factoren in privé, werk- en zorgomgeving
- • actueel herstel- en probleemoplossend gedrag.
- – het toetsen en zo nodig zelf stellen van de juiste diagnose(n), inclusief comorbiditeit
- – het bepalen van de ernst van de klachten en stoornissen.
- – De verzekeringsarts is alert op:
- – lokalisatie van de pijn: wel of niet volgens een dermatomaal patroon?
- – de aanwezigheid en ernst van paresen
- – houdingsafhankelijkheid van de pijnklachten
- – (psychische) comorbiditeit.
- – gefundeerde twijfel over de diagnostiek, met name wanneer de juiste diagnose van belang is voor de beoordeling van de belastbaarheid en de prognose
- – gefundeerde twijfel over nog te benutten behandelingsmogelijkheden.
- – De verzekeringsarts vormt zich op basis van de in het onderzoek verzamelde gegevens een oordeel over de oorzaken van de stagnatie van het herstelproces.
- – Hij betrekt de analyse van de stagnatie van het herstel bij zijn evaluatie van de re-integratie-inspanningen in het kader van de poortwachtertoets.
- – aanpassing aan fysieke omgevingseisen
- • trillingsbelasting
- – dynamische handelingen
- • getordeerd buigen en tillen
- • lopen, trappenlopen en klimmen
- – statische houdingen
- • geknield of gehurkt actief zijn
- • zitten
- • staan tijdens het werk
- • gebogen en/of getordeerd actief zijn
- – sociaal functioneren
- • specifieke voorwaarden in verband met mictie- en defaecatiestoornissen.
- – De prognose van langer bestaande prikkelings- en neurologische uitvalsverschijnselen is ongunstig.
- – Voor de prognose van aspecifieke lage rugpijn na twee jaar ziekteverzuim wordt verwezen naar het desbetreffende protocol.
- – Als sprake is van reeds lang bestaande prikkelings- en neurologische uitvalsverschijnselen, gaat de verzekeringsarts na of de functionele mogelijkheden door voorzieningen en aanpassingen nog kunnen verbeteren en overlegt en adviseert hij dienaangaande.
- – Wanneer (volledige) re-integratie is uitgebleven door andere oorzaken dan de neurologische stoornissen van het LRS, bijvoorbeeld door een chronisch pijnsyndroom, aspecifieke lage rugpijn of door andere comorbiditeit, overlegt de verzekeringsarts met betrokkene, huisarts, bedrijfsarts of andere behandelaar(s) over het opstellen van een medisch plan van aanpak dat aansluit bij zijn analyse van de stagnatie van de re-integratie en zijn actuele onderzoeksbevindingen.
- – Bij herbeoordelingen evalueert de verzekeringsarts de uitvoering van het medisch plan van aanpak. Zo nodig treedt hij opnieuw in overleg met betrokkene en diens behandelaar(s) om het plan bij te stellen.
- – sociaal-medische voorgeschiedenis
- – functionele mogelijkheden
- – te verwachten beloop
- – behandeling en begeleiding.
- – L4: frontolateraal bovenbeen en knie, anteromediaal onderbeen naar mediale malleolus en binnenzijde voet en grote teen
- – L5: posterolaterale zijde van de heup, via laterale zijde knie naar scheenbeen en boven- en onderzijde mediale deel voet, inclusief eerste tot en met vierde teen
- – S1: gluteaalstreek, via dorsale zijde bovenbeen naar dorsolaterale zijde onderbeen en boven- en onderzijde laterale voetrand, inclusief kleine teen.*
- – aspecifieke lage rugpijn
- – tumoren
- – ontstekingsprocessen
- – coxartrose
- – klachten uitgaande van het sacroiliacaal gewricht
- – bursitis trochanterica.
- – aanpassing aan fysieke omgevingseisen
- • trillingsbelasting
- – dynamische handelingen
- • getordeerd buigen en tillen
- • lopen, trappenlopen en klimmen
- – statische houdingen
- • geknield of gehurkt actief zijn
- • zitten
- • staan tijdens het werk
- • gebogen en/of getordeerd actief zijn
- – sociaal functioneren
- • specifieke voorwaarden in verband met mictie- en defecatiestoornissen.