Bijlage 1 Keuringsreglement COKZ Boerenkaas 2006
Keuringsreglement COKZ Boerenkaas 2006
Indien in het navolgende wordt verwezen naar elders gepubliceerde methoden van monsterneming en onderzoek is de versie waarnaar hier wordt verwezen van toepassing, tenzij anders is bepaald. In het geval van grensreacties is bij de desbetreffende methode aangegeven het aantal malen (n) dat een in de eis vermelde hoeveelheid analysemonster moet worden onderzocht en het maximum aantal malen dat een positief resultaat wordt toegelaten (a). 1. Monsterneming: volgens de methoden beschreven in annex 1 2. Voorbehandeling voor fysisch en chemisch onderzoek: volgens NEN 3742: 1994 3. Bepaling van de zuurtegraad: volgens NEN 913: 1963, met dien verstande dat het resultaat wordt uitgedrukt in mmol NaOH per liter. In geval van room wordt de werkwijze toegepast zoals voor melk is beschreven in NEN 913: 1963, met dien verstande dat: 4. Bepaling van het lactaatgehalte: volgens de methode beschreven in annex 2. Monsters met een lactaatgehalte hoger dan 80 mg per 100 g vetvrije droge stof worden onderzocht volgens IDF 69B: 1987, met dien verstande dat 10 g monster wordt ingewogen. Om het resultaat uit te drukken in vetvrije droge stof wordt het vetgehalte in melk bepaald volgens IDF 1D: 1996, en het drogestofgehalte volgens de methode vermeld onder A.8. 1. Monsterneming: volgens de methode beschreven in annex 6. 1. Monsterneming: volgens de methode beschreven in annex 14. 2. Voorbehandeling voor fysisch en chemisch onderzoek: volgens NEN 3752: 1979. 3. Bepaling van het vochtgehalte; referentiemethode: volgens NEN 3754: 1981; routinemethode: volgens ontwerp-NEN 3755: 1997, toepasbaar op kaas die niet ouder is dan vier weken. 4. Bepaling van het vetgehalte: referentiemethode: volgens NEN 3757: 1979; routinemethode: volgens NEN 3758: 1980, toepasbaar op kaas die niet ouder is dan een half jaar. 5. Bepaling van het nitraat- en nitrietgehalte: volgens IDF 189-2:2001. 6. Bepaling van de fosfatase-activiteit in kaas: volgens NEN 3774: 1978. 7. Bepaling van de pH van kaas: volgens NEN 3775:
- – 10 g room tot op 10 mg wordt gewogen en met 10 ml koolzuurvrij demiwater wordt gemengd;
- – voor de standaardkleur aan de blanco 1 ml van de standaard kleurstofoplossing wordt toegevoegd;
- – aan de te titreren vloeistof 1 ml indikatoroplossing wordt toegevoegd;
- – het resultaat uitgedrukt in mmol NaOH per 100 g vetvrije waar, wordt berekend door vermenigvuldiging van de uitkomst met 100/(100 – F), waarin F het vetgehalte in % (m/m) is. Om het resultaat uit te drukken in de vetvrije waar wordt het vetgehalte in melk bepaald volgens IDF 1D:1996 en in room volgens IDF 16C: 1987.
- – dat kaasschmier wordt onderzocht zoals voor kaas in de methode is beschreven;
- – dat watermonsters worden onderzocht zoals voor melk in de methode is beschreven;
- – dat kruiden worden onderzocht na bereiding van een suspensie, waarbij aan het monster een negenvoudige hoeveelheid van het tot ca. 37 °C opgewarmde ophopingsmedium wordt toegevoegd waarna het monster 3 min wordt gesuspendeerd met een suspendeertoestel;
- – dat swaps worden onderzocht nadat de inhoud van het swapbuisje inclusief de swap is toegevoegd aan ca. 45 ml van het tot ca. 37 °C opgewarmde ophopingsmedium;
- – dat veegdoekjes worden onderzocht nadat 225 ml van het tot ca. 37 °C opgewarmde ophopingsmedium aan het veegdoekje is toegevoegd.