Bijlage 9 BFD: berekening van de theoretische looptijd van doorlopend krediet
Besluit financiële dienstverlening (BFD)
- 1. Bij de berekening van de theoretische looptijd van doorlopend krediet wordt er van uit gegaan dat:
- a. de overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de bij het aangaan van de overeenkomst inzake krediet vastgestelde hoogte van de termijnbedragen en lengte van de betalingstermijnen wordt afgewikkeld,
- b. geen wijzigingen optreden in de kredietvergoeding, tenzij het wijzigingen betreft waarvan de omvang bij het aangaan van de overeenkomst inzake krediet is vastgesteld,
- c. het uitstaand saldo op het tijdstip waarop door de aanbieder van krediet een geldsom ter beschikking wordt gesteld onderscheidenlijk met het verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een dienst als bedoeld in artikel 4 van het besluit, een aanvang wordt gemaakt, gelijk is aan de kredietlimiet, en
- d. het uitstaand saldo niet toeneemt anders dan uit hoofde van het in rekening brengen van kredietvergoeding.
- 2. Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet waarbij het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn, de betalingstermijn en het termijnbedrag, met uitzondering van het laatste termijnbedrag, gelijk blijven, bedraagt de theoretische looptijd n betalingstermijnen, waarbij n de uitkomst is van de volgende formule: (log T – log (T – im·K)) / log (1 + im) In deze formule is: T: het termijnbedrag; im: het honderdste deel van het kredietvergoedingspercentage per betalingstermijn; m: het aantal betalingstermijnen per jaar; K: de kredietlimiet.
- 3. Bij overeenkomsten inzake doorlopend krediet die niet voldoen aan de in het tweede lid genoemde kenmerken wordt de theoretische looptijd berekend als de som van de lengten van de betalingstermijnen die verstrijken alvorens het uitstaand saldo tot nihil is teruggebracht.
- 4. Bij de bepaling van de theoretische looptijd wordt het aantal betalingstermijnen op een geheel getal naar boven afgerond.