Bijlage 6 BFD: behorend bij artikel 16, eerste lid, onder e. Beleggen A
Besluit financiële dienstverlening (BFD)
Voor de vaststelling van de deskundigheid, bedoeld in artikel 16, eerste lid, gelden voor de financiële dienstverlener inzake effecten de eindtermen genoemd in de artikelen 2 tot en met 4 van deze bijlage. De financiële dienstverlener inzake effecten is in staat: De financiële dienstverlener inzake effecten is in staat, ten aanzien van het bemiddelen in en adviseren van effecten: De financiële dienstverlener inzake effecten is in staat, ten aanzien van het beheer en mutatie van de overeenkomst inzake effecten:
- a. uit te leggen aan de consument waarom het voor een goed beleggingsadvies belangrijk is een risicoprofiel te maken;
- b. de voor het risicoprofiel benodigde informatie over de financiële positie, ervaring en doelstellingen van de consument te verzamelen;
- c. de risicotolerantie van de consument in kaart te brengen;
- d. op basis van de verzamelde informatie vast te stellen welk risicoprofiel op dit moment past bij de consument en te onderbouwen waarom hij tot dit profiel gekomen is; en
- e. vast te stellen welke vorm van dienstverlening past bij het profiel en de wensen van de consument, en indien van toepassing door te verwijzen naar een ander type adviseur.
- a. overeenstemming te bereiken met de consument, inclusief ondertekening door de consument, over het risicoprofiel;
- b. aan de consument uit te kunnen leggen wat wordt bedoeld met de risico- en rendementinformatie die wordt gegeven bij de strategische asset allocaties en wat dat voor hem betekent;
- c. uit te kunnen leggen op welke veronderstellingen de strategische asset allocaties zijn gebaseerd en kanttekeningen te plaatsen bij de gehanteerde risico- en rendementinformatie;
- d. in overleg met de consument vast te stellen welke strategische asset allocatie die de diverse aanbieders hanteren, past bij het gekozen risicoprofiel;
- e. uit te kunnen leggen waarom de gemaakte keuze een momentopname is en waarom het belangrijk is periodiek deze keuze te heroverwegen;
- f. uit te leggen op welke wijze spreiding in de portefeuille kan worden gerealiseerd;
- g. de voor- en nadelen te beschrijven van een belegging in beleggingsfondsen;
- h. uit te leggen wat de meest voorkomende vormen van beleggingsbeleid van beleggingsfondsen inhouden en wat de kenmerken en risico’s van deze vormen zijn;
- i. uit te leggen in welke beleggingsinstrumenten beleggingsfondsen beleggen, en wat de kenmerken en risico’s zijn van deze beleggingsinstrumenten;
- j. de informatie over de invloed van de economische omgeving op de beleggingsportefeuille, die de aanbieder van de beleggingsfondsen bij deze producten geeft, aan de consument uit te leggen;
- k. een concreet advies te geven over welke modelportefeuille (al dan niet in combinatie met andere financiële producten) het beste aansluit bij het risicoprofiel en de wensen van de consument;
- l. de kenmerken en risico’s van financiële producten uit te leggen, waaronder, doch niet uitsluitend, het risico dat de consument tijdens of aan het einde van de looptijd een bijstorting moet doen of een restschuld overhoudt;
- m. bovengenoemde financiële producten met elkaar te vergelijken en bepalen of deze producten geschikt zijn voor een specifieke consument.
- a. alle vereiste gegevens op de juiste manier vast te leggen in het klantdossier zodat ten minste aan de regels van de externe toezichthouder is voldaan;
- b. vast te stellen of bijsturing van de portefeuille nodig is, gegeven het eerder vastgestelde risicoprofiel;
- c. (tijdens mutatiemomenten) te signaleren of er wijzigingen in het risicoprofiel of in de omgeving zijn waardoor bijstelling van de strategische asset allocatie wenselijk is; en
- d. deze benodigde wijzigingen te vertalen in een concreet advies over aanpassing van de strategische asset allocatie.