Bijlage 1 BFD: behorend bij artikel 16, eerste lid. Basismodule deskundigheid
Besluit financiële dienstverlening (BFD)
Voor de vaststelling van de deskundigheid, bedoeld in artikel 16, eerste lid, gelden de eindtermen genoemd in de artikelen 2 tot en met 6 van deze bijlage. De financiële dienstverlener is in staat: De financiële dienstverlener is in staat, ten aanzien van het aanbieden van: De financiële dienstverlener is in staat, ten aanzien van het bemiddelen in financiële producten: De financiële dienstverlener is in staat, ten aanzien van financiële dienstverlening inzake: De financiële dienstverlener is in staat ten aanzien van:
- a. de begrippen consument, producent, sparen, ontsparen en lenen aan de hand van een eenvoudige economische kringloop uit te leggen;
- b. eenvoudige financiële overzichten (opbrengsten/uitgaven en bezittingen/schulden) voor een consumentenhuishouding op te stellen;
- c. eenvoudige financiële overzichten (opbrengsten/uitgaven en bezittingen/schulden) voor een consumentenhuishouding voor een moment in de toekomst, rekening houdend met het levensfasemodel op te stellen;
- d. een eenvoudig vermogensplan voor een consument op basis van de huidige en toekomstige financiële positie op te stellen;
- e. aan te geven welke risico’s de consument loopt ten aanzien van bezit, vermogen, inkomen en overlijden en welke maatregelen hiervoor getroffen moeten worden;
- f. informatiebronnen die gericht zijn op de consument te noemen;
- g. uit te leggen waarom prudentieel toezicht en gedragstoezicht op de financiële markten nodig is om de consument te beschermen en vertrouwen in de financiële sector te geven;
- h. aan te geven welke klachtenregelingen en buitengerechtelijke geschillenbeslechtingregelingen voor de consument in de financiële dienstverlening van toepassing zijn;
- i. de juridische positie van een consument te inventariseren en omschrijven; en
- j. de fiscale positie van een consument te inventariseren en omschrijven.
- a. betaal- en spaarrekeningen met inbegrip van de daaraan verbonden betaal- en spaarfaciliteiten:
- 1°. de rol en de taken van de aanbieder in het chartale en girale betalingsverkeer te beschrijven; en
- 2°. de rol en de taken van de aanbieder bij het aantrekken van spaargeld te beschrijven.
- b. krediet:
- 1°. de rol en de taken van de aanbieder bij het verstrekken van consumptief en hypothecair krediet te beschrijven;
- 2°. de advies- en bemiddelingstaken van de aanbieder van krediet te beschrijven; en
- 3°. aan te geven waar de aanbieder van krediet voor eigen rekening en risico opereert en welke risico’s de aanbieder van krediet daarbij loopt.
- c. verzekeringen:
- 1°. de risico’s vast te stellen die de consument kan lopen;
- 2°. de rol en taken van de aanbieder te beschrijven met betrekking tot het afdekken van de financiële gevolgen van risico’s die de consument kan lopen;
- 3°. het principe van verzekeren uit te leggen;
- 4°. uit te leggen hoe de verzekeringsovereenkomst tot stand komt;
- 5°. de hoofdlijnen van het verzekeringsrecht te beschrijven;
- 6°. de structuur van de verzekeringssector uit te leggen; en
- 7°. uit te leggen wanneer de verzekeringsovereenkomst wordt beëindigd.
- d. effecten en beleggingsobjecten:
- 1°. de rol van de beleggingsinstelling te beschrijven;
- 2°. de kenmerken van de beleggingsmaatschappij en het beleggingsfonds te noemen;
- 3°. vijf beleggingscategorieën te noemen en toe te lichten;
- 4°. te motiveren waarom beleggen in een beleggingsfonds voor de consument geschikter kan zijn dan beleggen in afzonderlijke fondsen; en
- 5°. de kenmerken van giraal beleggen (beleggingsrekening) te benoemen en aan te geven welk verschil er is met beleggen via / in een beleggingsmaatschappij en een beleggingsfonds.
- a. het verschil tussen rechtstreekse verkoop door de aanbieder en verkoop via een onafhankelijk distributiekanaal uit te leggen;
- b. de werkzaamheden die de bemiddelaar kan verrichten voor de consument, te beschrijven;
- c. de gebieden waarop bemiddelaars actief zijn voor producten van een bank, verzekeraar, pensioenfonds en institutionele beleggers te noemen;
- d. de schakels tussen uitgevende instellingen en eindbelegger in het kader van de effectendienstverlening te beschrijven;
- e. de verschillende soorten bemiddelaars te omschrijven; en
- f. de activiteiten van andere bemiddelaars te beschrijven.
- a. betaalrekeningen met inbegrip van de daaraan verbonden betaalfaciliteiten:
- 1°. te beschrijven hoe een betaalrekening geopend wordt en waarop in het bijzonder gelet moet worden;
- 2°. aan te geven hoe geld omgezet wordt in een andere vorm en waarop in het bijzonder gelet moet worden;
- 3°. producten voor toonbankbetaling en girale betalingen te beschrijven;
- 4°. toe te lichten op welke punten de koop op afstand afwijkt van koop in de directe aanwezigheid van de financiële dienstverlener; en
- 5°. uit te leggen wat een money transfer is en waarom het ministerie van Justitie dit product nauwlettend observeert.
- b. krediet:
- 1°. uit te leggen wat een consumptief krediet is, in welke situaties het product geschikt is en welke factoren een rol spelen bij het verlenen van het krediet;
- 2°. uit te leggen wat een hypothecair krediet is, in welke situaties het geschikt is en welke factoren een rol spelen bij het verlenen van het krediet; en
- 3°. de belangrijkste hypotheekvormen en rentecondities te omschrijven.
- c. spaarrekeningen met inbegrip van daaraan verbonden spaarfaciliteiten, effecten en beleggingsobjecten:
- 1°. spaarproducten waarbij het tegoed direct opneembaar is te beschrijven;
- 2°. spaarproducten waarbij een looptijd wordt afgesproken te beschrijven; en
- 3°. de meest gangbare beleggingsobjecten te beschrijven.
- d. verzekeringen:
- 1°. de producten waarmee de risico’s kunnen worden verzekerd die betrekking hebben op het bezit te beschrijven;
- 2°. de producten waarmee de risico’s kunnen worden verzekerd die betrekking hebben op verkeer, aansprakelijkheid en rechtsbijstand, inkomen en arbeidsongeschiktheid te beschrijven; en
- 3°. de producten waarmee de risico’s kunnen worden verzekerd die betrekking hebben op het leven, de dood en de gezondheid en zorg te beschrijven.
- a. de regulering van de financiële sector in algemene zin:
- 1°. de voorwaarden voor een rechtsgeldige financiële overeenkomst te noemen;
- 2°. toe te lichten waarom de overheid zorgplichten wettelijk regelt, welk type regels hierbij gebruikt worden en op wie deze van toepassing zijn;
- 3°. de inhoud van de verschillende type regels te schetsen;
- 4°. het werkgebied en de taken van de financiële toezichthouders te omschrijven; en
- 5°. de collectieve garantieregeling te omschrijven.
- b. de wet (Wfd):
- 1°. de doelstelling en werkwijze van de Wfd weer te geven;
- 2°. de terminologie van de Wfd toe te lichten;
- 3°. de reikwijdte van de Wfd aan te geven;
- 4°. te motiveren waarom de Wfd kiest voor consistente regels voor alle distributiekanalen en branches;
- 5°. de kwaliteitskenmerken van het distributiekanaal te noemen;
- 6°. aan te geven waar en waarom de Wfd ruimte laat voor zelfregulering;
- 7°. uit te leggen waarom een vergunningstelsel nodig is en hoe dit functioneert; en
- 8°. uit te leggen waar de Wfd past in de internationale ontwikkelingen.
- c. het toezicht op gedragsaspecten:
- 1°. de eisen waaraan een financiële dienstverlener moet voldoen te noemen; en
- 2°. te beschrijven hoe en op welke punten de toezichthouder toezicht uitoefent op financiële dienstverleners.