Bijlage 2 Regeling GLB-inkomenssteun 2006: minimumeisen inzake de goede landbouw- en milieuconditie, bedoeld in artikel 3
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
De landbouwer is verplicht de volgende bepalingen in acht te nemen: Het is de landbouwer verboden om zonder vergunning landbouwgronden te bevloeien met water, indien deze vergunning op basis van enig algemeen verbindend voorschrift vereist is. Het is de landbouwer verboden om in strijd te handelen met het bepaalde in artikel 2.2 eerste en tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover de lozingen van afvalwater of andere stoffen plaatsvinden in het kader van zijn landbouwbedrijf.
- A. De landbouwer die percelen uit productie neemt en deze percelen in aanmerking wil laten komen voor steun, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 2, onder a, is verplicht deze percelen in te zaaien met een groenbemester onder de navolgende voorwaarden:
- 1°. Het betreft een groenbemester, genoemd in het tweede subonderdeel, die uiterlijk op 31 mei wordt ingezaaid.
- 2°. Groenbemesters zijn: Tevens zijn in mengsels van één of meer groenbemesters toegestaan:
- – mengsels van grassen,
- – phacelia,
- – spurrie,
- – vlinderbloemigen met uitzondering van bonen en erwten,
- – kruisbloemigen, uitgezonderd koolzaad,
- – afrikaantjes (Tagetes), of
- – solanum sisymbriifolium.
- – tweezaadlobbige cultuurgewassen in een dichtheid per gewas van ten hoogste 10% van de zaaizaadhoeveelheid die gebruikt wordt bij de gangbare teelt van het desbetreffende gewas,
- – eenzaadlobbige cultuurgewassen met uitzondering van maïs, in een dichtheid van maximaal 7 kg per hectare zaaizaad per soort, met een maximum van 35 kg per hectare in totaal, of
- – Akkerkruiden zoals aangemerkt in de Standaardlijst van de Nederlandse Flora (van der Meijden, 1990) met uitzondering van duist, grote windhalm, oot, melganzevoet, knolcyperus, hanepoot, kweek, kleefkruid, akkermunt, veenwortel, perzikkruid en klein kruiskruid.
- 3°. De groenbemester wordt niet voor 31 augustus door enigerlei vorm van bewerking vernietigd.
- B. Onderdeel A is niet van toepassing indien:
- 1°. De landbouwer voor zijn gehele productie voldoet aan de voorschriften die zijn vastgesteld in verordening 834/2007 en verordening 889/2008,
- 2°. Op last van de Plantenziektenkundige Dienst deze percelen onbegroeid worden gehouden ter bestrijding van quarantaineorganismen, of
- 3°. Op last van het HPA of het Productschap Tuinbouw deze percelen onbegroeid worden gehouden ter bestrijding van knolcyperus.
- A. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- landbouwgrond: grond waarop akkerbouw wordt beoefend, inclusief braakliggende landbouwgronden;
- tuinbouwgrond: grond waarop tuinbouw wordt beoefend, inclusief braakliggende tuinbouwgronden;
- erosie: de afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water;
- erosiebevorderend gewas: alle eenjarige gewassen die worden gezaaid, geplant of gepoot na 1 januari van het desbetreffende teeltjaar;
- perceel: een aaneengesloten oppervlakte grond, in eigendom of in gebruik bij één landbouwer, waarop één gewas wordt geteeld;
- hellinglengte: lengte van de zijde van het perceel, die het minst parallel loopt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen;
- hellingspercentage: een gemiddeld in een absoluut getal uitgedrukt hellingspercentage van het perceel, bepaald volgens de in bijlage 2a weergegeven methode;
- grondbewerking: het verplaatsen van bodemdeeltjes door middel van een werktuig;
- niet-kerende grondbewerking: grondbewerking, niet zijnde ploegen, waarbij de vermenging van de bodem zich beperkt tot de bovenste 12 centimeter, eventueel gecombineerd met het breken van de bodem op grotere diepte waarbij geen verstoring van de bodemopbouw plaatsvindt;
- bodembedekking: een gewas dat in het najaar direct na de oogst van het hoofdgewas wordt ingezaaid en als levend gewas of als licht ingewerkte of niet ingewerkte gewasresten overwintert;
- hamsterovereenkomst: een overeenkomst aangegaan in het kader van subsidieregelingen van de provincie Limburg met als specifiek doel de bescherming van de habitat voor de hamster;
- directzaaimethode: teeltmethode waarbij een bodembedekking wordt toegepast en in het voorjaar zonder volledige grondbewerking het navolgende gewas wordt geteeld;
- wateropvang: een voorziening bestemd voor het tijdelijk bergen van oppervlakkig afstromend water;
- teeltjaar: de periode van na oogst van het hoofdgewas of de hoofdgewassen in het ene jaar tot en met de oogst van het hoofdgewas of de hoofdgewassen in het daaropvolgende jaar, waarbij bij de teelt van meerdere gewassen achter elkaar de laatste oogst vóór 1 januari wordt bedoeld;
- ondergroei: een bodembedekker die tijdens de aanwezigheid van een gewas wordt ingezaaid in dit gewas, en bij de oogst van het hoofdgewas in stand wordt gehouden;
- hoofdgewas: een gewas geteeld met het doel de opbrengst te verhandelen of te gebruiken;
- waterdrempel: een aarden rug, dwars in de rijen van een teelt op ruggen, dat afstromend water kan bergen;
- fruitteelt: een opstand van bomen die bedrijfsmatig is aangeplant met als doel de oogst van vruchten;
- mulchsysteem: teeltsysteem waarbij de bodem in het najaar wordt geploegd, gevolgd door de inzaai van een bodembedekking, waarbij in het voorjaar uitsluitend niet-kerende grondbewerking plaatsvindt.
- B. Deze paragraaf is van toepassing op land- en tuinbouwgronden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen het grondgebied van de provincie Limburg ten zuiden van de doorgaande weg tussen Sittard en Wehr, tot aan de grens tussen Nederland en Duitsland, en van de doorgaande weg tussen Sittard en Urmond, tot aan de grens tussen Nederland en België, met uitzondering van het winterbed van de Maas en het inundatiegebied van Geul en Gulp.
- C.
- 1°. Een perceel met een hellingspercentage van 2% of meer wordt niet gebruikt voor fruitteelt, tenzij:
- a. het gras in de boomgaard niet korter wordt gemaaid dan 5 cm;
- b. op een perceel met een hellingspercentage tot 5% de hellingslengte in gebruik voor fruitteelt minder bedraagt dan 300 meter of ten minste na elke 300 meter wordt onderbroken door een niet erosiebevorderend gewas of een extra wendakker;
- c. op een perceel met een hellingspercentage van 5% of meer de hellingslengte in gebruik voor fruitteelt minder bedraagt dan 200 meter of ten minste na elke 200 meter wordt onderbroken door een niet-erosiebevorderend gewas of een extra wendakker, en
- d. op een perceel met een hellingspercentage van 5% of meer het snoeihout onder de bomen niet geruimd wordt vóór 15 juni van elk jaar.
- 2°. Onderdeel 1°, onder a en d, is niet van toepassing voor fruitteelt waarbij de boomrijen dwars op de helling zijn gelegen en er geen eenduidig concentratiepunt is voor het oppervlakkig afstromende water.
- D. De landbouwer:
- 1°. voert zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk één maand na elke oogst van het desbetreffende teeltjaar, een grondbewerking uit met een minimale diepte van vijftien centimeter, waarmee de verslemping, verdichting, korstvorming en wielsporen worden opgeheven, behoudens bij de toepassing van ondergroei of bij de aanwezigheid van meerjarige teelten. De genoemde diepte van vijftien centimeter mag worden beperkt tot tien centimeter indien een hamsterovereenkomst van toepassing is;
- 2°. wist bij het inzaaien van bieten, maïs of uien de sporen van de trekkerwielen, tenzij de directzaaimethode is toegepast, en
- 3°. gebruikt land- en tuinbouwgronden met een hellingspercentage van 18% of meer uitsluitend als grasland.
- E.
- 1°. Onverminderd de onderdelen C en D treft de landbouwer elk teeltjaar met betrekking tot elk perceel land- of tuinbouwgrond als bedoeld in onderdeel B met een hellingspercentage van 2% of meer en een hellingslengte van meer dan 50 meter de volgende maatregelen:
- a. ondiep ploegen tot maximaal 12 centimeter diep, eventueel gecombineerd met het breken van de bodem op grotere diepte waarbij geen verstoring van de bodemopbouw plaatsvindt, in combinatie met een bodembedekking en een buffervoorziening voor 10m3 water per hectare, of
- b. toepassing van het mulchsysteem in combinatie met een buffervoorziening voor 20m3 water per hectare.
- 2°. De landbouwer doet uiterlijk 1 januari van het lopende teeltjaar melding bij de minister van de getroffen maatregelen en de locatie van de buffervoorziening.
- F. Onderdeel E is niet van toepassing op land- en tuinbouwgronden, indien de landbouwer:
- 1°. geen andere dan de niet-kerende grondbewerking toepast en een bodembedekking inzaait, waarbij de bodembedekking achterwege kan blijven indien op 15 september nog een gewas op het land staat;
- 2°. in het teeltjaar bij gewassen in ruggenteelt waterdrempels toepast die tussen de aanleg van de ruggen en het sluiten van het gewas gezamenlijk 100 m3 water per hectare kunnen bergen;
- 3°. in het teeltjaar uiterlijk op 1 januari een wateropvang heeft met een capaciteit van 100 m3 per hectare, voor de percelen die afwateren in deze voorziening, of
- 4°. wintergraan teelt dat voor 1 januari van het desbetreffende teeltjaar wordt ingezaaid.
- G. Meldingen, gedaan ter voldoening aan verplichtingen bij of krachtens verordening PA erosiebestrijding Zuid-Limburg 2013 en verordening PT erosiebestrijding Zuid-Limburg 2013, worden voor zover deze paragraaf tot het doen van die meldingen verplicht, geacht te zijn gedaan op grond van deze paragraaf aan de daartoe aangewezen instantie.
- A. Het is verboden om gewasresten op bouwland na de oogst te verbranden.
- B. Onderdeel A is niet van toepassing indien de landbouwer beschikt over een vergunning van het College van Burgemeester en Wethouders.
- 1°. de artikelen 2, 3 en 13 van de Boswet, en
- 2°. de artikelen 2 en 3 van het Besluit van 20 juni 1962, houdende regelen ten aanzien van de verplichting tot herbeplanting, bedoeld in artikel 3 van de Boswet.
- A. De landbouwer is verplicht om zijn landbouwgrond tenminste één keer per twee jaar te maaien, te keren of te laten begrazen.
- B. Onderdeel A is niet van toepassing indien de landbouwer niet aan deze verplichting hoeft te voldoen op grond van verplichtingen die hem zijn opgelegd:
- 1°. op grond van artikel 36, onderdeel a, onder ii of iv, verordening 1698/2005, of
- 2°. verplichtingen die de overheid heeft gesteld bij de verstrekking van staatssteun die op grond van beschikking N 577/2006 is goedgekeurd door de Europese Commissie.
- C. Onderdeel A is niet van toepassing op blijvend grasland.
- A. De landbouwer is verplicht om zijn blijvend grasland tenminste één keer per jaar te maaien of te laten begrazen.
- B. Onderdeel A is niet van toepassing indien de landbouwer niet aan deze verplichting hoeft te voldoen op grond van verplichtingen die hem zijn opgelegd:
- 1°. op grond van artikel 36, onderdeel a, onder ii of iv, verordening 1698/2005, of
- 2°. verplichtingen die de overheid heeft gesteld bij de verstrekking van staatssteun die op grond van beschikking N 577/2006 is goedgekeurd door de Europese Commissie.