Bijlage B Beleidsregel ontheffingverlening exceptionele transporten RDW: bij artikel 14, eerste en tweede lid
Beleidsregel ontheffingverlening exceptionele transporten RDW
De voor het voertuig of de voertuigen ten behoeve van het exceptioneel transport afgegeven en voor de ontheffing vereiste voertuigtechnische documenten moeten bij de uitvoering van het exceptioneel transport aanwezig zijn. Indien als voorschrift transportbegeleiding aan de ontheffing is verbonden, moet de transportbegeleiding worden uitgevoerd door een Erkend Particulier Begeleider met een begeleidingsvoertuig, uitgerust met hulpmiddelen en waarvan aan de buitenzijde zichtbaar is dat het wordt ingezet voor transportbegeleiding. Indien in het voertuig hulpbesturing aanwezig is, geldt ten aanzien van het gebruik van de hulpbesturing dat: Het bijplaatsen van lading is toegestaan, indien deze lading: Indien het een ontheffing voor modulaire voertuigen betreft geldt dat: Het voertuig of samenstel van voertuigen moet bij gebruik in onbeladen toestand altijd tot de kleinst mogelijke afmetingen zijn teruggebracht. Indien een ander, vervangend, voertuig of samenstel van voertuigen dan in de ontheffing is vermeld bij de uitvoering van het exceptioneel transport wordt gebruikt, geldt onverminderd het bepaalde in artikel 1 van deze bijlage, het volgende: Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A, B, F, tot en met H en artikel IV van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (verlenen ontheffingen door Dienst Wegverkeer) in werking treden.
- 1. Voor gebruik van de ontheffing moet de aanvrager zich vooraf overtuigen van de mogelijkheid van transport over de te berijden wegen.
- 2. Indien wegmeubilair moet worden verwijderd en teruggeplaatst ten behoeve van de uitvoering van het transport, moet vroegtijdig voor het gebruik van de ontheffing contact worden opgenomen met de wegbeheerder.
- 1. Van de ontheffing mag geen gebruik worden gemaakt bij gladheid van het wegdek en bij weersomstandigheden die het zicht beperken tot minder dan 200 m, en
- 2. Indien zich dergelijke omstandigheden voordoen moet zo spoedig mogelijk het gebruik van de ontheffing worden beëindigd.
- 1. Bij de uitvoering van het exceptionele transport op dubbelbaanswegen mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van de rechterrijstrook.
- 2. In afwijking van het eerste lid mag op aanwijzing van de politie, transportbegeleider of verkeersregelaar bij incidentele ontheffingen worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3, eerste lid en artikel 43 RVV.
- 1. Indien aan de ontheffing het voorschrift transportbegeleiding is verbonden, mag het exceptionele transport tot een konvooi worden samengesteld, indien:
- a. dit plaatsvindt op autosnelwegen, en
- b. het konvooi uit ten hoogste twee exceptionele transporten bestaat.
- 2. Indien de som van de netto lengtes van de afzonderlijke exceptionele transporten, inclusief de lading niet meer bedraagt dan 50 m wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste één (1) transportbegeleider moet worden begeleid.
- 3. Indien de som van de netto lengtes van de afzonderlijke transporten, inclusief de lading niet meer bedraagt dan 120 m wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste drie transportbegeleiders moet worden begeleid.
- 1. Bij een exceptioneel transport met in de breedte en/of in de lengte uitstekende lading, moet deze van een markering zijn voorzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 van de Regeling permanente eisen.
- 2. Bij een exceptioneel transport met een breedte van meer dan 3,00 m moet een deugdelijk geel zwaailicht aanwezig zijn.
- 3. Bij een lengte van het exceptioneel transport van meer dan 27,00 m moet aan de achterzijde van het transport een geel bord zijn aangebracht, waarop in zwarte tekens goed leesbaar moet zijn vermeld: ‘LET OP’, met daarachter vermeld de totale transportlengte in meters.
- 4. Bij een exceptioneel transport met een totale- of voertuiglengte groter dan 22,00 m moet een retroreflecterende lijnmarkering op de zijkant van het voertuig aanwezig zijn, waarvan: ten minste indien ingevolge artikel 32 en 33 van het RVV de voorgeschreven verlichting moet worden gevoerd.
- a. het toegepaste materiaal voldoet aan ECE-Reglement nr. 104 klasse C, en
- b. het goedkeuringsmerk aanwezig is overeenkomstig artikel 2.10.17 van de Regeling permanente eisen, waarbij ieder afzonderlijk deel van het markeringsmateriaal voorzien is van dit goedkeuringsmerk, en
- c. de installatie van de zijmarkering voldoet aan artikel 2.10.16 van de Regeling permanente eisen,
- 1. de hulpbesturing op het getrokken voertuig uitsluitend mag worden gebruikt bij stapvoets rijden;
- 2. de hulpbesturing volledig buiten gebruik moet zijn gesteld bij een snelheid groter dan 20 km/h;
- 3. indien hinder of gevaar voor het overige verkeer kan ontstaan de hulpbesturing onder toezicht van een gecertificeerde transportbegeleider-verkeersregelaar moet plaatsvinden;
- 4. bij een transportlengte groter dan 30,00 m er telefonisch of radiocontact tussen de bestuurder en de hulpbestuurder moet zijn;
- 5. na gebruik het voertuig goed in het spoor moet lopen van het trekkende motorrijtuig.
- 1. de plaatsing van de ondeelbare lading in de meest gunstige positie niet nadelig beïnvloedt, en
- 2. de afmetingen van het exceptioneel transport niet beïnvloed;
- 3. bij TMM(S) ≤ wettelijk maximum door het bijplaatsen van lading de geldende wettelijke maxima ten aanzien van laadvermogen en maximum massa niet wordt overschreden;
- 4. bij TMM(S) > wettelijk maximum maximaal 10% van de massa van de totale lading bestaat uit toebehoren van de ondeelbare lading.
- 1. het modulair samengestelde voertuig het kenteken van het voor het achterste asstel afgegeven kenteken moet voeren;
- 2. op het modulair samengestelde voertuig met opgegeven voertuigtechnisch document de bepalingen van afdeling 12 en 18 van hoofdstuk 5 Voertuigreglement van overeenkomstige toepassing zijn.
- 1. Indien de uitvoering van het exceptioneel transport plaatsvindt met een dollycombinatie, waarbij een deel van de in lengte ondeelbare lading wordt gedragen door de dolly en de koppeling tussen het trekkende motorrijtuig dan wel de voertuigcombinatie en de dolly wordt gevormd door de lading, geldt het volgende:
- a. De bevestiging van de lading is zodanig dat alle rij- en remkrachten in alle richtingen kunnen worden opgevangen Het uit elkaar geraken van de voertuigcombinatie wordt voorkomen en er bestaat geen gevaar dat de lading van het voertuig valt.
- b. Tussen voertuigen die door de lading met elkaar zijn verbonden moet een extra verbinding aanwezig zijn die een kracht kan opnemen van ten minste 0,6 x de beladen massa van de dolly.
- c. De dolly loopt goed in het spoor van het trekkende motorrijtuig.
- 2. Bij dollycombinaties geldt, onverminderd het bepaalde in artikel 7 van deze bijlage, dat het gedeelte tussen de beide schamels voorzien is van markeringsbanden, die:
- a. voorzien zijn van naar buiten gerichte zijmarkering afwisselend in de kleuren rood/ambergeel of rood/wit over lengtes van telkens 0,25 m respectievelijk 0,20 m, en
- b. de bevestiging zodanig is dat geen gevaar ontstaat voor overige weggebruikers, en
- c. zoveel mogelijk de zijdelingse begrenzing van het samenstel van voertuigen aangeeft.
- 1. Het kentekenbewijs van het vervangende voertuig is tenaamgesteld op de transporteur aan wie de ontheffing is verleend.
- 2. Het aantal voertuigen of samenstellen van voertuigen zoals vermeld in de ontheffing wordt niet overschreden.
- 3. De voor de vervangende voertuigen afgegeven voertuigtechnische documenten moeten in het voertuig aanwezig zijn indien:
- a. TMM of TMMS meer bedraagt dan het geldende wettelijke maximum voor het in de ontheffing opgenomen voertuig of samenstel van voertuigen, of
- b. de lengte van het exceptionele transport meer dan 22,00 m bedraagt, of
- c. de aslasten hoger zijn dan het maximum volgens het Voertuigreglement.