Bijlage Ea Uitvoeringsregeling Meststoffenwet: behorende bij de artikelen 78d, 78i, 78q en 78u van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de Minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten. Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in het accreditatieprogramma eisen en voorwaarden opgenomen. Het accreditatieprogramma bevat: Het accreditatieprogramma voor monsternemende organisatie wordt aangeduid als AP06. Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020. Specifiek worden in dit AP06 de volgende versienummers bedoeld wanneer de normen worden benoemd: NEN-EN-ISO/IEC 17025 NEN-EN-ISO/IEC 17020 Organisaties die monsterneming als aparte activiteit op de verrichtingenlijst (scope van accreditatie) wensen, kunnen accreditatie verkrijgen op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17025. In NEN-EN-ISO/IEC 17025 worden in 7.3 uitgebreide eisen gesteld aan de monsterneming en in 7.8.5 aan de rapportage van de resultaten van monsterneming. Indien een organisatie geaccrediteerd is of wordt voor inspectieactiviteiten (anders dan het nemen van monsters) volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020, behoort een aparte monsternemingsactiviteit binnen de scope tot de mogelijkheden. In deze situatie w
- – De algemene accreditatie-eisen en de toelatingsprocedure;
- – De wijze van bemonsteren;
- – Organisatie, registratie en controle van de monstername door de monsternemende organisatie;
- – Beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de geaccrediteerde organisatie geborgd is, waaronder periodieke beoordelingen door de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA);
- – Organisatie van controle en toezicht door de NVWA.
- 1. Greep: een hoeveelheid materiaal die bij de monstername in één handeling uit de vracht is genomen (bijvoorbeeld één schep, boorsteek, handgreep);
- 2. Mestdeeltje: Vaste of aan elkaar geklonterde delen in de mest die door de bemonsteringsinstrumenten niet (kunnen) worden doorsneden;
- 3. Bemonsteringspunt: plaats in de vracht waar een greep genomen wordt;
- 4. Monster vaste mest: de hoeveelheid materiaal die ontstaat doordat meerdere grepen worden samengevoegd en gemengd. De identiteit van de oorspronkelijke grepen gaat door die menging verloren;
- 5. Laboratoriummonster: een monster dat naar het laboratorium wordt verzonden. Het laboratoriummonster ontstaat na verkleining van het monster vaste mest tot de vereiste omvang. De monsterverpakking van het laboratoriummonster heeft een minimale inhoud van 750 milliliter (bijlage E, onderdeel B van de regeling). Het gewicht van het laboratoriummonster is conform de artikelen 78h en 78i, tweede lid van de regeling. Het laboratoriummonster is het finale monster vanuit het standpunt van de monstername maar is het initiële monster vanuit het standpunt van analyse door het laboratorium;
- 6. Mengen: het combineren van componenten, deeltjes of lagen van (grepen van) mestmateriaal tot een meer homogene toestand;
- 7. Mestopslag: plaats waar vaste mest wordt opgeslagen. Dit kan gaan over een mesthoop, container, loods, big bag of laadeenheid van een vrachtwagen;
- 8. Transportsysteem: Transportband of vijzel of vergelijkbaar systeem, bedoeld voor het verplaatsen van vaste mest binnen een locatie;
- 9. Benodigdheden van een monsternemer: de middelen die een monsternemer nodig heeft om de monstername te kunnen uitvoeren conform onderhavig accreditatieprogramma.
- – Eisen aan onafhankelijkheid
- – Borging kwaliteit personeel
- – Harmonisatie en uitwisseling van kennis
- – Periodieke beoordelingen en steekproefsgewijze controle door de RvA
- – Strategie voor monsterneming en periodieke actualisatie daarvan
- – Uitvoeren van de monsterneming, inclusief transport (en eventueel opslag) van het monster naar het mestlaboratorium (zie paragrafen 5 en 6)
- – Plannen van de monsterneming;
- – Registratie van gegevens en rapportage (zie respectievelijk paragraaf 6 en 9).
- – Vrachtbemonstering (paragraaf 5).
- – De grepen worden genomen uit de bak van de wiellader, shovel of bulldozer.
- – Het minimum aantal grepen is acht.
- – De te bemonsteren bakken worden per vracht willekeurig en verdeeld over de gehele belading, gekozen.
- – afwijkingen van de werkwijze zoals in het protocol beschreven
- – afwijkingen van de bemonsteringsstrategie van de monsternemende organisatie
- – bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen.
- • Datum en tijdvak van de bemonstering (datum van afvoer = datum van bemonstering)
- • Relatienummer/KvKnummer van de leverancier van de meststoffen (leverancier/producent)
- • Naam of nummer van de monsternemer
- • Het adres van de bedrijfslocatie waar het monster genomen is.
- • Geschat volume van de vracht
- • Mestcode [verwijzing naar codes in bijlage I van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet]
- • Monsterverpakkingsnummer1Indien bij lossen bemonsterd wordt, moet bij het laden (net als momenteel het geval is) op het VDM de monsterverpakking ingescand worden. Dat kan door de verpakking fysiek bij het laden beschikbaar te hebben, maar ook doordat de OMN de barcode digitaal beschikbaar stelt aan de mesteigenaar/vervoerder.
- • Afwijkingen van de werkwijze zoals in het protocol beschreven
- • Bijzonderheden
- • rVDM-nummer
- – onpartijdigheid en onafhankelijkheid zoals beschreven in paragraaf 4.1 in combinatie met Annex A.1
- – methoden zoals beschreven in paragrafen 7.2 en 7.3;
- – waarborging van de kwaliteit van monsterneming zoals beschreven in paragraaf 7.7.
- – De geaccrediteerde monsternemende organisatie rouleren de organisatie van het ringonderzoek of besteden dit uit aan een onafhankelijke derde partij;
- – De monsternemer(s) voor het ringonderzoek worden aselect geselecteerd, met een minimum van één monsternemer per monsternemende organisatie;
- – Zij nemen afzonderlijk van elkaar een monster uit dezelfde vracht en stellen een laboratoriummonster samen;
- – In het harmonisatieoverleg wordt de voortgang, planning en rapportage van de ringonderzoeken besproken.
- – de werkwijze van de monsternemer die overeenkomstig het protocol voor de borging van representativiteit van het monster moet zijn.
- – de volledigheid en juistheid van schriftelijke vastleggingen welke van de monsternemer gevraagd worden
- – de onafhankelijkheid van de monsternemer.