Bijlage 1 RBUo 2005: behorende bij de Regeling bloed- en urineonderzoek: methoden van onderzoek
Regeling bloed- en urineonderzoek (RBUo 2005)
Alcohol2Hieronder wordt verstaan een ethanol – watermengsel bevattende 90-lOO volumeprocenten ethanol, dat geen stoffen bevat die de bepaling kunnen storen.. Pipetten en maatkolven welke voldoen aan NEN 1753 en NEN 1750. Alcohol wordt verdund met vers uitgekookt en weer bekoeld water tot ongeveer 40 gewichtsprocenten. De relatieve dichtheid van deze oplossing, bij 20°C betrokken op water van 20°C, wordt met behulp van een pyknometer in vijfvoud bepaald. Het is toegestaan om een andere methodiek te gebruiken mits deze even nauwkeurig is als de pyknometrische. Uit het gemiddelde van deze gevonden waarden wordt het alcoholgehalte in vier cijfers gevonden met behulp van een alcoholtabel volgens Osborne3Deze alcoholtabel is onder meer te vinden in het aanhangsel van Band 11 SchweizerischesLebensmittelbuch 1967.. Ongeveer 60 gram van deze oplossing wordt nauwkeurig afgewogen en overgebracht in een maatkolf van 500 ml. De maatkolf wordt aangevuld tot 500 ml met vers uitgekookt en weer bekoeld water. Uit de op deze wijze verkregen oplossing worden, door afpipetteren onder gebruikmaking van 10, 20, 25 en 50 ml pipetten en maatkolven van 500 en 1.000 ml, ten minste drie alcohol-standaardoplossingen bereid met nauwkeurig bekende gehaltes. Deze gehaltes bedragen ongeveer4Ongeveer betekent dat de afwijking van de genoemde waarden niet meer dan 10% mag bedragen. 0,5, 1, 1,5, 2, 2,5 of 3 mg alcohol per ml oplossing. De maatkolven worden aangevuld met uitgekookt en weer bekoeld water, waaraan per liter 10 gram natriumfluoride wordt toegevoegd. De standaarden moeten in geheel gevuld en goed afgesloten vaatwerk van glas bij ± 4°C bewaard worden, dan wel in ampullen worden overgebracht, die na dichtsmelten bij kamertemperatuur kunnen worden bewaard. De standaarden mogen eerst gebruikt worden als zij dezelfde (kamer)temperatuur hebben aangenomen als de bloedmonsters. Na opening mogen deze standaarden niet langer dan één dag worden gebruikt. Literatuur: D. Eskes, Blutalkohol, 6, 362 (19
- 1. Gedestilleerd- of gedemineraliseerd water, dat vrij is van stoffen, welke de reactie kunnen storen;
- 2. Tetranatriumdifosfaat-decahydraat, semicarbazidehydrochloride, glycine, natriumhydroxide, ADH en NAD, alle pro-analysekwaliteit en vrij van stoffen die de bepaling kunnen storen;
- 3. Blutalkohol U.V.-Test van Boehringer, of een andere daaraan gelijk-waardige combinatie van reagentia.
- 1. Apparatuur voor het verdunnen en overbrengen van bloed, urine en waterige alcoholoplossingen (diluter);
- 2. Reactievaatjes in de vorm van cylindertjes van zachte polypropyleen met inwendig holle deksel (als bijvoorbeeld Kartell 733/4) of Erlenme-ijer kolfjes met ingeslepen stop en ingesmolten glazen schaaltjes (zie tekeningen afgedrukt in de Staatscourant van 11 april 1978, nr. 70, bladzijde 7);
- 3. Schijfjes van absorberend materiaal;
- 4. Doseerpipet of dispenser voor het inbrengen van het reactiemengsel in de kolfjes of de reactievaatjes;
- 5. Pipet van 50µl (met bijbehorende wegwerppunten) voor het afpipetteren van het verdunde bloedmonster;
- 6. Spectrofotometer.
- 1. Gedestilleerd- of gedemineraliseerd water, dat vrij is van stoffen, welke de reactie kunnen storen,
- 2. Een waterige oplossing van 1-propanol (concentratie tussen 0,1 en 0,2 mg/ml), die geen stoffen bevat die de bepaling kunnen storen.
- 1. Apparatuur voor het verdunnen en overbrengen van bloed, urine en waterige alcoholoplossingen (diluter);
- 2. Gaschromatograaf uitgerust met een vlamionisatiedetector;
- 3. Injectiespuit ten behoeve van de monsterintroductie in de gaschromatograaf;
- 4. Recorder en integrator.