Bijlage 2 Vaststellingsbesluit subsidieprogramma’s ex art. 2, eerste lid, Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer: als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het besluit, houdende vaststelling van een drietal subsidieprogramma’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer
Het Subsidieprogramma CO2-reductie Personenvervoer, hierna genoemd het programma, is een CO2-programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling CO2-reductie verkeer en vervoer (Staatscourant 2 november 2001, nr. 213), hierna genoemd de subsidieregeling. Doel van het programma is invulling geven aan de subsidiemogelijkheden voor CO2-reductieprojecten, die voldoen aan de doelstellingen van de subsidieregeling. Het programma beperkt zich daarbij tot het ondersteunen van projecten die een substantiële bijdrage leveren aan de CO2-reductie in de sector personenvervoer. Naast de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in het programma zijn de voorwaarden en criteria zoals neergelegd in de subsidieregeling onverkort van toepassing. Het programma heeft een looptijd van 4 jaar (van 2005 tot en met 2009). ) Ingevolge de subsidieregeling stelt de minister een programma vast. Het onderhavige programma is een aanpassing naar aanleiding van de ervaringen met het tweede programma. De in de subsidieregeling vermelde percentages onder artikel 4 het eerste lid, onder a en b, worden met maximaal 10% bruto verhoogd indien de aanvrager geen onderneming drijft en het CO2-reductieproject niet tot doel heeft de levering, tegen vergoeding, van goederen en diensten. Indien niet wordt voldaan aan alle bovenstaande criteria zal de aanvraag worden afgewezen. De beschikbare gelden worden verdeeld naar rangschikking van de subsidieaanvragen. De investeringsprojecten en toepassingsprojecten worden gezamenlijk gerangschikt. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten geschiedt separaat. Aanvragen voor de derde tender worden ingediend met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst en dienen uiterlijk op 11 november 2005 te zijn ontvangen. Na afloop van de periode van indiening brengt een adviescommissie, als bedoeld in artikel 6 van de subsidieregeling, advies uit over de beoordeling en de rangschikking van de aanvragen.
- a. Dit programma staat open voor investeringsprojecten, toepassingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten als bedoeld in artikel 1 van de subsidieregeling.
- b. Ten aanzien van investering- en toepassingsprojecten komen alle in Nederland gevestigde ondernemingen, andere organisaties, lokale en regionale overheden in aanmerking, die investeringen plegen met betrekking tot een CO2-reductieproject waarbij de reductie in het personenvervoer plaatsvindt.
- c. Ten aanzien van kennisoverdrachtprojecten komen alle in Nederland gevestigde ondernemingen, andere organisaties en Nederlandse lokale en regionale overheden in aanmerking, die door middel van actieve kennisoverdracht een CO2-reductieproject uitvoeren waarbij de besparing in het personenvervoer plaatsvindt. Het moet gaan om meer dan alleen het verzamelen en/of ter beschikking stellen van informatie.
- a. Een investeringsproject voldoet in elk geval aan het volgende criterium:
- het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld op, over de technische levensduur van de voorziening.
- b. Een toepassingsproject voldoet in elk geval aan de volgende criteria:
- – het project levert een CO2-reductie van ten minste 75 ton per jaar gemiddeld op, berekend over een exploitatieperiode van 10 jaar vanaf de start van het project;
- – de subsidie-effectiviteit heeft een waarde van niet meer dan € 45,– per ton CO2.
- c. Een kennisoverdrachtproject voldoet in elk geval aan het volgende criterium:
- het te verlenen subsidiebedrag bedraagt ten minste € 20.000,–.
- d. Voor een project gelden voorts de volgende criteria:
- – het project dient te starten na het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Onder starten wordt verstaan het aangaan van verplichtingen en/of het maken van kosten ten behoeve van het project.
- – het project moet vastgesteld kunnen worden vóór 31 december 2009. De eindrapportage en het verzoek tot vaststelling dienen uiterlijk 1 september 2009 door SenterNovem te zijn ontvangen. In afwijking van de vorige volzin geldt voor toepassingsprojecten dat het project vastgesteld moet kunnen worden vóór 1 juli 2011. De eindrapportage en het verzoek tot vaststelling dienen uiterlijk 1 april 2011 door SenterNovem te zijn ontvangen.
- – de aanvrager is in staat om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in paragraaf 9, van dit programma;
- – het resultaat van het project mag niet significant in strijd zijn met andere doelstellingen van het huidige beleid op het gebied van personenvervoer en milieu;
- – het project mag niet leiden tot een significant verhoogde emissie van NOx, CO, VOS, PM of SOx noch tot een significant hoger geluidsniveau.
- a. De rangschikking van investeringsprojecten en toepassingsprojecten wordt bepaald aan de hand van vijf criteria: Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan deze criteria. Hierbij geldt dat het eerste rangschikkingcriterium twee keer meeweegt en de overige vier ieder één keer wegen.
- – de subsidie-effectiviteit, waarbij een project hoger wordt gewaardeerd naarmate de subsidie effectiever is;
- – de omvang van de CO2-reductie van het project. Het betreft de mate van vermindering van de CO2-emissie die is toe te rekenen aan Nederland, ten gevolge van het project;.
- – andere maatschappelijke effecten. Het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid en veiligheid;
- – het herhalingspotentieel. Hierbij wordt gekeken naar:
- • De innovativiteit: de mate waarin de toe te passen technologie of het concept vernieuwend is;
- • De voorbeeldwerking: de mate waarin de technologie of het concept binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) of elders in de markt, binnen en buiten de branche kan worden herhaald;
- – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische- en financiële slaagkans. Het betreft de mate waarin de risico’s worden ingeschat en de resultaten daadwerkelijk zullen worden bereikt.
- b. De rangschikking van kennisoverdrachtprojecten wordt bepaald aan de hand van vier criteria: Een project wordt hoger gewaardeerd naarmate het project meer positief bijdraagt aan bovenstaande criteria. De hiervoor genoemde vier criteria wegen even zwaar.
- – de verhouding tussen de verwachte omvang van de CO2-emissiereductie als gevolg van het project en de kosten van het project;
- – het herhalingspotentieel: de mate waarin de projectresultaten elders in de markt kunnen worden toegepast of door hun voorbeeldwerking kunnen bijdragen aan kennisverspreiding in de markt;
- – de haalbaarheid gelet op de technische, organisatorische en financiële slaagkans. Het betreft de mate waarin de resultaten daadwerkelijk zullen worden bereikt, en de mate waarin de aanvrager in staat wordt geacht het project uit te voeren;
- – andere maatschappelijke effecten dan CO2-emissiereductie: Het betreft de neveneffecten die optreden als gevolg van het project. Het gaat hierbij om een bijdrage aan bereikbaarheid, duurzaamheid en veiligheid.
- – bij de berekening van de beperking van de CO2-emissie geldt als referentie de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie die ontstaat dan wel gecontinueerd wordt als het project geen doorgang vindt, waarbij de in de branche gangbare praktijk de norm is;
- – bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor investeringsprojecten de annuïteitfactor gebaseerd op een disconto van 6% en is de technische levensduur van een voorziening ten hoogste 25 jaar;
- – bij de berekening van de subsidie-effectiviteit wordt voor toepassingsprojecten de CO2-reductie berekend over een exploitatieperiode van 10 jaar, gerekend vanaf de start van het toepassingsproject;
- – het subsidiabele deel van de projectkosten kan maximaal bestaan uit de additionele kosten zoals genoemd in artikel 4 en 5 van de subsidieregeling. De berekening van het subsidiabele deel van de projectkosten vindt plaats volgens de berekeningswijze die is opgenomen in de aanvraagformulieren behorend bij dit programma.