Bijlage 1 Beleidsregels baggerspecieverklaring Wet belastingen op milieugrondslag: indelen in partijen voorafgaand aan het baggeren
Beleidsregels baggerspecieverklaring Wet belastingen op milieugrondslag
Een aanvraag voor een baggerspecieverklaring in het kader van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt aangevraagd heeft betrekking op een bepaalde hoeveelheid die de ontdoener wil aanbieden aan een stortplaats. Zo’n hoeveelheid wordt aangeduid als een ‘partij’. De aangevraagde hoeveelheid zal doorgaans zijn gebaseerd op het volume aan materiaal dat de ontdoener voornemens is te verwijderen uit de waterbodem. Dit volume wordt gevormd door de ontgravingscontour, ofwel de afmetingen van het te baggeren deel van de waterbodem in de breedte, de lengte en de diepte. Deze ontgravingscontour wordt in de baggerspecieverklaring opgenomen. De aanvraag van een baggerspecieverklaring moet zijn gebaseerd op onderzoek naar de aard van het materiaal dat de ontdoener uit de waterbodem wil verwijderen. In veel gevallen zal dit onderzoek uitwijzen dat de partij baggerspecie betreft. In enkele gevallen kunnen echter ook substantiële hoeveelheden bodemvreemd materiaal in de waterbodem aanwezig zijn. Het kan bijvoorbeeld gaan om stortingen van gebroken puin en dergelijke. Indien bodemvreemd materiaal in substantiële hoeveelheden aanwezig is in (een deel van) de waterbodem en het materiaal uit het betrokken deel van de waterbodem met de gangbare baggertechnieken gescheiden is te ontgraven, dan dient dit deel van de waterbodem apart in de beschouwing te worden betrokken. Dat wil zeggen dat het materiaal uit dit deel van de waterbodem wordt beschouwd als een afzonderlijke partij. Dit materiaal mag dus niet worden meegenomen in de aanvraag van de baggerspecieverklaring voor het overige deel van de waterbodem. Indien de baggerspecie uit een ontgraving naar twee of meer verschillende stortplaatsen gaat, dient de waterbodem om administratieve redenen (toekennen afvalstroomnummers per partij) te worden opgedeeld in partijen.