Bijlage 1 Regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksgebouwendienst 2005: aangelegenheden op het terrein van Personeel & Organisatie die op grond van artikel 3, onderdeel a, voorbehouden zijn aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal

Regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksgebouwendienst 2005

Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal is voorbehouden de besluitvorming op basis van de volgende artikelen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement: Voor alle duidelijkheid volgt hieronder een opsomming van de artikelen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, waarvan de toepassing aan de algemene leiding is voorbehouden: Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal is voorbehouden het beslissen over het aangaan van (juridische) verplichtingen ten aanzien van functionarissen die erop gericht zijn de medewerker aanspraak te verlenen op enige financiële tegemoetkoming, schadeloosstelling, schadevergoeding of overigens enige geldelijke bijdrage te verlenen anders dan waar personeelsleden volgens vast gebruik aanspraak op kunnen maken. Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal is voorbehouden het beslissen omtrent deelname aan buitenlandse dienstreizen door functionarissen van de Rijksgebouwendienst. De directeur-generaal is aan te merken als bevoegd gezag in de zin van de aanvraagprocedure voor buitenlandse dienstreizen. Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal is voorbehouden het vaststellen van de formatie tot schaal 13, met dien verstande dat functiewaarderingsbesluiten met betrekking tot de functionarissen rechtstreeks vallend onder de directeur-generaal en die van functies die niet zijn opgenomen in de formatie zijn voorbehouden aan de algemene leiding. 1. Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal is voorbehouden het beslissen over de vaststelling van de structuur van de dienst en van de structuur van de organisatieonderdelen van de Rijksgebouwendienst. Voor alle duidelijkheid zij vermeld dat voor inzetten van organisatie- en formatieveranderingen vooraf toestemming van de algemene leiding noodzakelijk is. 2. Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal is tevens voorbehouden het beslissen over de vaststellin