Art. 3 Regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksgebouwendienst 2005, Bevoegdheden voorbehouden aan directeur-generaal en plaatsvervangend directeur-generaal

Regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksgebouwendienst 2005

Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal blijft voorbehouden het uitoefenen van:

a. de bevoegdheden op het terrein van Personeel & Organisatie, genoemd in bijlage 1;

b. de bevoegdheid tot het benoemen van een externe tot projectbevoegde;

c. de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten die zijn genomen door de directeuren en de stafafdelingshoofden;

d. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent het oprichten van een rechtspersoon;

e. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent de vertegenwoordiging van de minister of de staatssecretaris in het orgaan van een rechtspersoon;

f. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent de vertegenwoordiging van de Staat der Nederlanden, de minister/staatssecretaris of de Rijksgebouwendienst in rechte;

g. de bevoegdheid tot het vaststellen van vaststellingsovereenkomsten;

h. de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels;

i. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent het verlenen van subsidie.

j. de bevoegdheid tot het inhuren van externen op het terrein van interim-management, organisatie- en formatieadvies, communicatieadvies en beleidsadvies.