Bijlage A Examenreglement Brandweercentralist 2005
Examenreglement Brandweercentralist 2005
De centralist is in staat: De centralist is in staat: De centralist is in staat: De centralist is in staat: De centralist is in staat: De centralist is in staat: De centralist is in staat: De centralist is in staat: De centralist is in staat:
- 1. de wijze waarop een melding binnenkomt te interpreteren. Op grond van beroepsinhoudelijke criteria kan de centralist een beslissing nemen over de betekenis hiervan voor de verwerking.
- 2. op gestructureerde wijze sleutelgegevens te verzamelen en te verwerken.
- 3. te handelen naar de wettelijke en kwaliteitskaders, de organisatiestructuur en de overige regelgeving waarbinnen hij/zij werkzaamheden verricht. Bovendien is de centralist bij de samenwerking met aanverwante (hulpverlenings)disciplines in staat rekening te houden met de consequenties van wet- en regelgeving die van toepassing zijn op deze disciplines.
- 4. op communicatief adequate, methodische wijze de relevante gegevens die van belang zijn voor het beoordelen van de melding te verzamelen, te ordenen en vast te leggen.
- 5. het belang van procedures voor het eigen handelen te bepalen, waarbij de centralist weet op welke wijze deze te beïnvloeden zijn.
- 6. een effectieve en efficiënte keuze te maken uit de beschikbare communicatiemiddelen en deze op adequate wijze te bedienen waarbij de centralist weet welke alternatieven beschikbaar zijn. Het betreft hier zowel het gebruik ten behoeve van de eigen werkzaamheden als het technisch faciliteren van communicatie(netwerken) tussen eenheden.
- 7. storingen te herkennen, de gevolgen daarvan voor het operationeel proces in te schatten en adequaat actie te ondernemen. Hierbij gaat het om het kennen en indien noodzakelijk gebruik maken van noodprocedures en uitvalscenario’s.
- 8. op adequate wijze gebruik te maken van overige ondersteunende technische hulpmiddelen zoals informatie- en bedrijfsprocessystemen.
- 9. een optimale spreiding en paraatheid van alle eenheden binnen het verzorgingsgebied te waarborgen waarbij de centralist voortdurend anticipeert op de gevolgen van reeds genomen of nog te nemen beslissingen.
- 10. op basis van informatie voortkomend uit de melding een beslissing te nemen over het al dan niet inzetten van hulp. Daarbij wordt de aard, de omvang (opschaling), de locatie en de urgentie bepaald en aan betrokkenen gecommuniceerd.
- 11. de te nemen (veiligheids)maatregelen te bepalen en deze af te stemmen met de eenheden.
- 12. de verrichtingen van de ingezette eenheden te volgen en te coördineren. Op basis van deze informatie stuurt de centralist zonodig bij waar het gaat om de urgentie dan wel de omvang van de hulpvraag (op-/afschalen) en vervult een faciliterende rol aan belanghebbenden.
- 13. te bepalen of overige disciplines en andere betrokkenen geïnformeerd dienen te worden en hij/zij verzoekt eventueel om assistentie vanuit overige disciplines.
- 14. meldingsgegevens te vertalen in een professionele omschrijving op basis waarvan een vervolg aan het hulpverleningsproces gegeven kan worden.
- 15. te putten uit een breed scala aan communicatieve vaardigheden en zet deze, afhankelijk van de informatiebehoefte en het type gesprekpartner, in om een effectieve en efficiënte wijze van communicatie te bewerkstelligen.
- 16. gelijktijdig meerdere hulpverlenings- en informatieprocessen te managen.
- 17. de eigen emoties als gevolg van de aard van de werkzaamheden (tijdsdruk, gelijktijdigheid processen, gevolgen van beslissingen) te hanteren en te verwerken.
- 18. op adequate wijze een melding aan te nemen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het zich bekend maken aan de melder en het scheppen van een veilig en rustig ‘gespreksklimaat’.
- 19. op effectieve wijze om te gaan met de emoties van betrokkenen.
- 20. na afloop van de melding het eigen handelen te evalueren.
- 21. een bijdrage te leveren aan de algemene evaluatie van een melding vanuit de optiek van de meldkamer, hierover te rapporteren en te signaleren waar procedures of werkwijzen verbeterd kunnen worden. Hierbij houdt de centralist rekening met de organisatiestructuur en -cultuur, de generieke procedures en de generieke beroepsinhoudelijke kaders van de eigen discipline en aanverwante (hulpverlenings)disciplines.
- 22. om op effectieve wijze afspraken te maken met collega’s over de invulling van de dagelijkse werkzaamheden en weet door samenwerking c.q. individueel handelen optimale resultaten te bereiken.