Bijlage 1 Vennootschapsbelasting, deelnemingsvrijstelling, onderworpenheid bij kwalificatieverschil van buitenlands lichaam
Belanghebbende, ..............., gevestigd ............... te ..............., l.v.n ............... in deze vertegenwoordigd door haar gemachtigde, ..............., zoals blijkt uit de aan deze overeenkomst gehechte machtiging. hierna te noemen PARTIJ A en De Belastingdienst, in deze vertegenwoordigd door de inspecteur van de Belastingdienst/………., (en bijgestaan door het APA/ATR team van de Belastingdienst/Rijnmond/kantoor Rotterdam) hierna te noemen PARTIJ B, overwegen, onder verwijzing naar het Besluit van 18 december 2004, nr. CPP2004/1304M, dat partijen een vaststellingsovereenkomst wensen te sluiten ter voorkoming van onzekerheid omtrent de vraag of een hybride buitenlands lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst in de zin van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb). Feiten en omstandigheden welke ten grondslag liggen aan deze overeenkomst Partij A heeft een participatie in <naam hybride buitenlands lichaam> te <vestigingsplaats en vestigingsland> (hierna: het lichaam). Voor de Nederlandse fiscale bepalingen kwalificeert dit lichaam als een niet-transparant lichaam. Bij de participatie in het buitenlandse lichaam is ten gevolge van een kwalificatieverschil niet voldaan aan de onderworpenheideis van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, Wet Vpb. Overeengekomen wordt dat het buitenlandse lichaam geacht wordt onderworpen te zijn aan een belasting naar de winst in de zin van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, Wet Vpb, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Deze overeenkomst zal haar geldigheid geheel of gedeeltelijk verliezen bij het intreden van één of meer van de volgende situaties: Indien partij A zich niet houdt aan de in deze overeenkomst gemaakte afspraken dan kan partij B nakoming van de afspraken eisen en dienovereenkomstig aanslagen over de desbetreffende jaren opleggen. Hierbij verklaart partij A dat de in deze vaststellingsovereenkomst en de daarbij behorende bij
- – de winst van het lichaam wordt in het land van feitelijke vestiging op het niveau van het lichaam vastgesteld;
- – het land waarin het lichaam feitelijk is gevestigd, is ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele belasting gerechtigd het volledige aandeel van belastingplichtige in het resultaat van het buitenlands lichaam te belasten;
- – de som van de resultaten, die door het land van feitelijke vestiging bij de individuele participanten in de heffingsgrondslag wordt opgenomen, is gelijk aan het resultaat zoals dat zou zijn belast als het lichaam als zodanig aan een belasting naar de winst onderworpen zou zijn geweest;
- – tussen Nederland en het land waarin het lichaam feitelijk is gevestigd geldt een wederkerige regeling ter voorkoming van dubbele belasting, waarin een informatie uitwisselingsbepaling is opgenomen;
- – de dubbele belastingheffing, ontstaan door het kwalificatieverschil, wordt niet opgelost door een wederkerige regeling ter voorkoming van dubbele belasting of de uitkomst van een onderlinge overlegprocedure tussen Nederland en het land van feitelijke vestiging; hierbij wordt verwezen naar de observation in paragraaf 24 van de Annex II bij ‘The application of the OECD model tax convention to partnerships’;
- – de – bij partij A –in het buitenland ter zake geheven belasting maakt onderdeel uit van de voordelen waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is;
- – het gehele deelnemingsregime (dus artikel 13 en verder van de Wet Vpb), inclusief compartimentering, is van toepassing op het belang in het buitenlands lichaam;
- – ingeval voorafgaand aan het tijdstip waarop de participatie in het buitenlands lichaam op grond van deze overeenkomst als deelneming wordt aangemerkt, ter zake van de participatie in het buitenlands lichaam door belanghebbende dan wel door een met belanghebbende verbonden lichaam in de zin van artikel 10a, vierde lid, van de Wet Vpb een bedrag ten laste van de Nederlandse winst is gebracht omdat geen sprake was van een deelneming louter vanwege de omstandigheid dat niet werd voldaan aan het onderworpenheidsvereiste, vindt de deelnemingsvrijstelling slechts toepassing voor zover de voordelen uit de als deelneming aangemerkte participatie vorenbedoeld bedrag overtreffen.
- – Partij A maakt aannemelijk dat hij ter zake van zijn aandeel in het samenwerkingsverband door het land waarin het samenwerkingsverband feitelijk is gevestigd in de heffing wordt betrokken;
- – Partij A verklaart dat hij een wijziging van de relevante omstandigheden schriftelijk meldt bij de inspecteur onder wie hij ressorteert.
- – bij relevante wetswijziging: zodra de wet in werking is getreden en een eventueel overgangsregime niet (meer) van toepassing is;
- – bij relevante wijziging in beleid of jurisprudentie.