Art. 17 Regeling keuring spoorvoertuigen, Compatibiliteit

Regeling keuring spoorvoertuigen

1. Spoorvoertuigen voldoen in relatie tot de bovenbouw aan de volgende eisen:

a. UIC nr. 700 (10e editie van 11-2004) zoals per categorie gespecificeerd;

b. de maximale gaping van een wiel in een kruisstuk bedraagt 80 mm, voor wielen met een diameter kleiner dan 730 mm;

c. de door het spoorvoertuig uitgeoefende dwarskrachten, en dwarskrachten in wissels en S-bogen voldoen aan UIC nr. 518 (2e editie van 01-2003).

2. Indien een spoorvoertuig is voorzien van een magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen.

3. Op een baanvak met beladingscategorie C worden alleen spoorvoertuigen ingezet met een maximale quasi dynamische wiellast van 177 kN.

4. Op een baanvak met beladingscategorie D worden alleen spoorvoertuigen ingezet met een maximale quasi dynamische wiellast van 200 kN.

5. Een horizontale boog met een radius van 150 m en groter kan door een spoorvoertuig worden doorlopen.

6. Een horizontale boog met een radius van 190 m en groter kan door een spoorvoertuig in S-bogen zonder ingesloten rechtstand worden doorlopen.

7. Een verticale boog met een radius van 2000 m en groter kan door een spoorvoertuig worden doorlopen.

8. Een verticale topboog van 250 m en groter, en een verticale dalboog van 300 m en groter, kan door een spoorvoertuig dat wordt geheuveld, worden doorlopen.

9. Indien een spoorvoertuig is voorzien van een wervelstroomreminrichting, is deze uitschakelbaar.