Bijlage XVIII Regeling monitoring handel in emissierechten: bepaling CO2-emissies van luchtvaartactiviteiten
Regeling monitoring handel in emissierechten
Deze bijlage behoort bij de artikelen 34g, eerste lid, onder e en i, 34k, 34l, eerste lid, 34m, eerste en tweede lid, 34n, eerste lid, 34o, eerste lid, 34s, tweede lid, 34ah, derde lid, onder g en h, 34aj, eerste lid, en 34al, tweede lid, van de regeling. De monitoring van vluchten als bedoeld in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten omvat alle vluchten die door de vliegtuigexploitant gedurende het kalenderjaar worden uitgevoerd en die onder bijlage I bij die richtlijn vallen. De vliegtuigexploitant is verantwoordelijk voor de monitoring van een vlucht indien: De vliegtuigexploitant bepaalt de CO2-emissies per vlucht met de volgende formule: CO2-emissies = brandstofverbruik * emissiefactor, waarbij: Het brandstofverbruik wordt voor elke vlucht en voor elke brandstof berekend met methode A of B zoals hieronder beschreven. In geval van methode A of B bepaalt de vliegtuigexploitant de hoeveelheid getankte brandstof door gebruik te maken van facturen of opleveringsbewijzen van de brandstofleverancier of door deze te meten met behulp van meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig. In geval van methode A of B mag de vliegtuigexploitant de hoeveelheid brandstof die in de brandstoftanks aanwezig is, bepalen door deze te meten met meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig. De verkregen gegevens over de hoeveelheid getankte brandstof en de hoeveelheid brandstof die in de brandstoftanks aanwezig is, worden opgeslagen in de documentatie voor massa en zwaartepunt, geregistreerd in de technische logboeken of elektronisch verstuurd van het luchtvaartuig naar de vliegtuigexploitant. De gegevens worden geregistreerd overeenkomstig artikel 34ae. Het brandstofverbruik wordt met de volgende formule bepaald: brandstofverbruik voor elke vlucht = hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig na het tanken voor de vlucht - hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig na het tanken voor de volgende vlucht + hoeveelheid
- a. zijn unieke ICAO-aanduiding als roepnaam voor de luchtverkeersleiding wordt gebruikt in vak 7 van het vluchtplan, of
- b. bij het ontbreken van een unieke ICAO-aanduiding als bedoeld onder a: de registratiemarkering van het door de vliegtuigexploitant geëxploiteerde luchtvaartuig wordt gebruikt in vak 7 van het vluchtplan.
- – het brandstofverbruik wordt uitgedrukt in ton;
- – de emissiefactor wordt uitgedrukt in tCO2/t brandstof voor vliegtuigkerosine van het type JET A1 of JET A, vliegtuigbenzine van het type JET B en vliegtuigbenzine van het type ‘AvGas’;
- – de emissiefactor wordt uitgedrukt in tCO2 /TJ of tCO2/t brandstof voor andere dan onder het voorgaande aandachtstreepje bedoelde brandstoffen.
- a. het brandstofverbruik en de hoeveelheid brandstof worden uitgedrukt in ton;
- b. als tijdstip van ‘block-on’ het tijdstip wordt aangemerkt waarop de motoren worden stilgelegd.
- a. Met behulp van meetsystemen aan boord van het luchtvaartuig.
- b. Meting door de brandstofleverancier zoals opgenomen in de facturen of opleveringsbewijzen. De vliegtuigexploitant mag de werkelijke dichtheid van de brandstof afleiden van deze facturen of opleveringsbewijzen van de brandstofleverancier.
- c. Op basis van de brandstoftemperatuur tijdens het tanken, in samenhang met de standaard dichtheid-temperatuurcorrelatietabellen. De gegevens over de brandstoftemperatuur tijdens het tanken worden op de volgende wijze verkregen:
- 1°. de gegevens worden verkregen van de brandstofleveranciers, of
- 2°. de gegevens worden gespecificeerd voor het luchtvaartterrein waar het tanken plaatsvindt waarbij gebruik wordt gemaakt van standaard dichtheid-temperatuur-correlatietabellen.
- 1. De procedures die worden toegepast bij de bemonstering van een brandstof en bij de bepaling van de emissiefactor, de calorische onderwaarde, het koolstofgehalte, de samenstellingsgegevens en de biomassafractie daarvan, berusten op een standaardmethode, waarbij systematische bemonsterings- en meetfouten beperkt blijven en waarvan de meetonzekerheid bekend is. Indien een relevante CEN-norm beschikbaar is, wordt deze toegepast.
- 2. Indien er geen CEN-normen als bedoeld onder 1 beschikbaar zijn, gelden ISO-normen, uitgegeven door de International Organisation of Standardization, of nationale normen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.
- 3. Een CEN-norm als bedoeld onder 1 heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van de uitgifte.
- 4. De Minister doet van de uitgifte van CEN-normen als bedoeld onder 3 alsmede van de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen voor deze normen zo spoedig mogelijk na uitgifte mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.