Bijlage III Regeling monitoring handel in emissierechten: bepalingsmethode activiteitsgegevens, emissiefactoren en oxidatie- of conversiefactoren
Regeling monitoring handel in emissierechten
Deze bijlage behoort bij de artikelen 7, tweede lid, 8, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid, van de regeling. De bepaling van de activiteitsgegevens aan de hand van voorraadwijzigingen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van deze regeling, vindt plaats volgens de volgende formule: Materiaal C = materiaal P + (materiaal S – materiaal E) – materiaal O waarin: Materiaal C: materiaal verwerkt in het kalenderjaar Materiaal P: materiaal aangekocht in het kalenderjaar Materiaal S: materiaalvoorraad aan het begin van het kalenderjaar Materiaal E: materiaalvoorraad aan het einde van het kalenderjaar Materiaal O: materiaal gebruikt voor andere doeleinden zoals vervoer of wederverkoop In gevallen waarin ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit wordt aangetoond dat het technisch niet haalbaar is of dat het zou leiden tot onredelijke kosten om de posten ‘materiaal S’ en ‘materiaal E’te bepalen, mag degene die een inrichting drijft, deze twee hoeveelheden schatten op basis van gegevens van voorgaande jaren en door deze te correleren aan de geproduceerde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar dan wel op basis van gedocumenteerde methoden en de desbetreffende gegevens in de geauditte jaarrekeningen voor het kalenderjaar. Degene die een inrichting drijft, bevestigt deze schattingen met behulp van gedocumenteerde berekeningen en bijbehorende jaarrekeningen. Met betrekking tot de bepaling van emissiefactoren worden de volgende eisen gesteld: Biomassa wordt beschouwd als CO2-neutraal. Op biomassa wordt een emissie factor 0 [t CO2/TJ of t of Nm3] toegepast. Voor brandstoffen of materialen die zowel fossiele koolstof als biomassakoolstof bevatten, wordt een gewogen emissiefactor toegepast, die is gebaseerd op het aandeel van de fossiele koolstof in het totale koolstofgehalte van de brandstof. Deze berekening is transparant en gedocumenteerd in overeenstemming met de regels en procedures van bijlage V bij deze regeling. Indien er in een CO2-installatie verschillende brands
- 1. Degene die een inrichting drijft, mag een emissiefactor voor een brandstof gebruiken die is uitgedrukt als koolstofgehalte (t CO2/t of t CO2/Nm3) in plaats van als t CO2/TJ voor verbrandingsemissies mits hij ten genoegen van het bestuur van de emissieautoriteit aantoont dat dit permanent een lagere onzekerheid tot gevolg heeft of dat het hanteren van een emissiefactor in t CO2/TJ tot onredelijke kosten leidt.
- 2. Voor de conversie van koolstof in de waarde voor CO2 wordt de factor 3,667 [t CO2/t C] gebruikt.
- a. een gewogen gemiddelde oxidatiefactor voor de activiteit bepalen en deze op alle brandstoffen toepassen, of
- b. aan één grote brandstofstroom onvolledige oxidatie toekennen en op de overige stromen een waarde 1 toepassen.