Bijlage 2 Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren: programma voor het Nederlandse Rijnstroomgebied, ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn nr. 76/464/EEG, gericht op de vermindering van de verontreiniging van oppervlaktewater door gevaarlijke stoffen
Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren
September 2004 Op grond van artikel 7 van richtlijn nr. 76/464/EEG van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatische milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEG L129) zijn de Lid-Staten van de Europese Unie verplicht programma’s op te stellen ter vermindering van de verontreiniging van oppervlaktewater door stoffen die voorkomen op lijst II van de bijlage bij de richtlijn. Op 10 mei 2001 werd Nederland veroordeeld door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen omdat tot dan toe niet op de juiste wijze uitvoering is gegeven aan artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG. De veroordeling van het Hof betreft geografisch gezien alleen het Nederlandse deel van het Scheldebekken, de Westerschelde. Ter implementatie van de uitspraak van het Europese Hof is in eerste instantie de ‘Regeling inzake milieukwaliteitseisen voor het Scheldebekken’ (3 februari 2003, nr. MJZ2002085859) vastgesteld en het bijbehorende ‘Programma voor de Westerschelde ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG ter vermindering van de verontreiniging van oppervlaktewater door 120 gevaarlijke (groepen van) stoffen die staan op lijst II van de bijlage van de richtlijn’. De Regeling is in het voorjaar 2004 gewijzigd (5 april 2004, nr. MJZ 2004032007), waardoor het programma integraal onderdeel werd van de Regeling. Om ook een juiste uitvoering te geven aan artikel 7 van de richtlijn in de overige wateren van Nederland zijn programma’s ter uitvoering van artikel 7 opgesteld voor de overige stroomgebieden (waaronder voorliggend programma voor de Rijn) en is de ‘Regeling inzake milieukwaliteitseisen voor het Scheldebekken’ dd 5 april 2004 vervangen door de Regeling met milieukwaliteitseisen voor heel Nederland, waarvan het programma voor de Rijn onderdeel is. Het doel van voorliggend programma is het vastleggen hoe de voor het Rijnstroomgebied gewenste oppervlaktewaterkwaliteit in het kader van richtlijn 76/464/EG bereikt en/of
- ● Waterkwaliteitseisen te bevatten voor de relevante stoffen.
- ● Resultaten weer te geven van de toetsing van meetgegevens aan deze waterkwaliteitseisen.
- ● De maatregelen aan te geven die leiden tot de gestelde oppervlaktewaterkwaliteit.
- – Indien een stof niet aantoonbaar aanwezig is in oppervlaktewater en de detectiegrens is lager dan de milieukwaliteitseis voor deze stof, dan is de stof als niet relevant aangemerkt.
- – Wanneer bij één of meer metingen en op één of meer locaties de stof aantoonbaar aanwezig is in oppervlaktewater, dan is deze stof als relevant aangemerkt.
- – Het komt voor dat er geen meetgegevens beschikbaar zijn gekomen over de aanwezigheid van een stof in oppervlaktewater (bijvoorbeeld door problemen met de analyse methode). Ook komt het voor dat een stof niet aantoonbaar is in het oppervlaktewater maar dat de detectiegrens voor het aantonen van deze stof (ruim) boven de voor deze stof afgeleide milieukwaliteitseis ligt. In deze twee situaties is relevantie bepaald op basis van andere criteria dan metingen in oppervlaktewater; voorbeelden van deze criteria zijn: (potentiële) lozer/lozingsgegevens, productie, gebruikscijfers, aangemerkt als prioritaire stof op grond van Richtlijn nr. 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (Kaderrichtlijn water, PbEG L 327).
- – PCBs (EG-nr. 101)
- – PAKs (anthraceen, benzo(k)fluorantheen (EG-nr. 99)
- – Zink
- – Koper
- – Nutriënten
- – Bestrijdingsmiddelen hexachloorbenzeen (EG-nr. 83) en tributyltinoxide (EG-nr. 115)
- – 2-amino-4-chloorfenol (EG-nr. 2)
- – Chlooralhydraat (EG-nr. 14)
- – Chloorazijnzuur (EG-nr. 16)
- – 2-chloorethanol (EG-nr. 22)
- – Cyaanuurzuurchloride (EG-nr. 44)
- – 1,3-dichloorpropaan-2-ol (EG-nr. 66)
- – Methamidafos (EG-nr. 93)
- – Omethoate (EG-nr. 97)
- – Foxim (EG-nr. 103)
- – Tetrabutyltin (EG-nr. 108)
- – Titaan (EG-nr. A)
- – Azinphos-ethyl (EG-nr. 5)
- – Azinphos-methyl (EG-nr. 6)
- – Chloordaan (EG-nr. 15)
- – Chloorpyrifos
- – Chlorfenvinfos
- – Cumafos (EG-nr. 43)
- – Dichloorvos (EG-nr. 70)
- – Endosulfan (EG-nr. 76)
- – Fenitrothion (EG-nr. 80)
- – Fenthion ( EG-nr. 81)
- – Malathion (EG-nr. 89)
- – Mevinfos (EG-nr. 94)
- – Oxydemeton-methyl (EG-nr. 98)
- – Parathion-methyl (EG-nr. 100)
- – Trichloorfon (EG-nr. 116)
- – Trifluraline (EG-nr. 124)
- – Tellurium (EG-nr. D)
- – Zilver (EG-nr. E)
- ● Vermindering van de verontreiniging.
- ● Stand-still beginsel.
- ● De vervuiler betaalt.
- 1. emissies van stoffen in de meest milieubezwaarlijke categorie moeten worden gesaneerd conform de beste bestaande technieken (bbt) – dit betreft de zwarte-lijststoffen, waartoe de stoffen behoren die dermate schadelijk zijn voor het milieu dat de verontreiniging door deze stoffen in beginsel moet worden beëindigd (zie paragraaf 3.1 van dit programma en bijlage 4 van het CIW handboek vergunningverlening) – in het Nederlandse Rijnstroomgebied betreft het in ieder geval 51 stoffen waarvoor deze aanpak is vereist;
- 2. stoffen die minder milieubezwaarlijk zijn conform de best uitvoerbare technieken (but) – onder deze stoffen vallen onder andere de zware metalen en organische micro verontreinigingen (voor zover deze niet op de zwarte lijst staan), ammoniak en nutriënten – in het Nederlandse Rijnstroomgebied betreft het momenteel 54 stoffen waarvoor deze aanpak vereist is;
- 3. voor de overige stoffen (chloride, sulfaat e.d.) is de saneringsinspanning afhankelijk van de waterkwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater.
- – In de beleidsnota Meerjarenplan Gewasbescherming is voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een aantal taakstellingen geformuleerd waaronder de beperking van de emissies naar het milieu. Het hierover gesloten convenant MJP-G is eind 2000 afgelopen. In 2003 is als vervolg op het MJP-G het convenant Gewasbescherming ondertekend. In dit convenant zijn opnieuw doelstellingen opgenomen ten aanzien van vermindering van emissies naar het milieu en het behalen van de vigerende waterkwaliteitsdoelstellingen.
- – Op grond van het regime van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt beoordeeld of toepassingen van een middel op de markt kunnen worden toegelaten.
- – Via twee algemene maatregelen van bestuur zijn eisen gesteld aan de wijze van toepassing, waarmee verliezen naar water worden beperkt:
- • Besluit Glastuinbouw (voorjaar 2002, integratie van eerdere besluiten op grond van de Wet Milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren);
- • Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (voorjaar 2000, op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden).
- – Daarnaast zijn toepassingen van bestrijdingsmiddelen voor zover moet worden aangenomen dat de regulering in het kader van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden onvoldoende bescherming geeft tegen negatieve milieueffecten Wvo vergunningplichtig. In deze vergunning mogen verdergaande restrictieve maatregelen worden opgelegd aan de toepassing van het middel.
- • Op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is de toelating van organotin (TPT) als gewasbeschermingsmiddel sinds 2000 ingetrokken.
- • Het gebruik van organotin (TBT/TPT) als antifouling voor (zeil)jachten met een lengte van minder dan 25 meter en de verkoop van verpakkingen met organotin met een inhoud van minder dan 20 liter is al langere tijd niet toegestaan op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (en ook verankerd in Europese regelgeving).
- • In het voorjaar van 1999 is een convenant gesloten tussen de overheid en de visserijbranche om niet langer organotin-antifouling op visserijschepen toe te passen.
- – Zo is er een herziening van het bestaande beleid omtrent de reguliere verspreiding van licht verontreinigde baggerspecie in voorbereiding.
- – Ook wordt gewerkt aan een nieuw beoordelingssysteem voor het verspreiden van baggerspecie in zee. Met de introductie van het nieuwe systeem Chemie Toxiciteit Toets (CTT) zou de uniforme gehalte toets (UGT) komen te vervallen. Er is nog geen beleidsmatig besluit genomen over de definitieve invoer hiervan.
- – Daarnaast wordt gewerkt aan vervanging van de klasse indeling voor zoete baggerspecie. Gedacht wordt aan het vervangen van de klasse indeling door gebruik te maken van de milieukwaliteitseis voor waterbodems in combinatie met biologische effectmetingen en omzettingscriteria.
- – In 2002 is de Stimuleringsregeling Verwerking Baggerspecie (SVB) in werking getreden. Een deel van het landelijke budget voor het verwerken van baggerspecie wordt gebruikt ter stimulering van het gebruik van baggerspecie als bouwstof, zodat er uiteindelijk minder specie zal worden gestort.
- – De implementatie van het Rijn Actie Programma 2000 van de Internationale Commissie voor de bescherming van de Rijn.
- – 33 voor het Rijnstroomgebied relevante stoffen betreffen de 33 prioritaire stoffen van annex X van de Kaderrichtlijn water (zie bijlage 1 van de Regeling). Voor deze stoffen zal de komende jaren een dochterrichtlijn ontwikkeld worden met betrekking tot milieukwaliteitseisen en maatregelen ten aanzien van bronnen.
- – In Kaderrichtlijn water verband dienen per stroomgebied de relevante stoffen in beeld gebracht te worden en de daarbij behorende milieukwaliteitseisen en bronmaatregelen vastgesteld te worden. Voor het Rijnstroomgebied zal daarvoor voortgebouwd worden op de informatie die gegenereerd is bij de uitvoering van artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG.
- – Ook in OSPAR-verband zijn prioritaire stoffen geïdentificeerd – voor deze stoffen wordt gestreefd naar de beëindiging van de lozingen/verliezen naar water en emissies naar de lucht in 2020. Tot de OSPAR prioritaire stoffen behoren de voor het Rijnstroomgebied relevante stoffen pentachloorfenol, kwik, lood, cadmium, PAK, lindaan, TBT, PCB’s, endosulfan, c10-13 chlooralkanen, broombrandvertragers, trifluraline. Momenteel worden in internationaal verband afspraken gemaakt over hoe het doel voor de diverse stoffen op de meest efficiënte wijze bereikt kan worden.
- – De beoordeling van een groot aantal gewasbeschermingsmiddelen in het kader van richtlijn 91/414/EEG is via de Verordeningen 451/2000 van 28/2/2000 en 2266/2000 van 12/10/2000 versneld. Van een aantal middelen, waaronder TPT en wellicht andere voor het Rijnstroomgebied relevante middelen die nog in België en/of Nederland waren toegelaten, is de toepassing vanaf 25 juli 2003 verboden.