Bijlage 6 Sociaal-ethische fondsen
Standaardvoorwaarden Standaardvoorwaarden voor een aangewezen fonds als bedoeld in artikel 5.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In deze standaardvoorwaarden wordt verstaan onder: 1. Het fonds dient zijn vermogen hoofdzakelijk (ten minste 70%) aan te wenden in de vorm van kredietverstrekking ten behoeve van dan wel het direct of indirect beleggen in sociaal-ethische projecten. 2. (Deze voorwaarde geldt alleen voor bestaande instellingen). De instelling stelt ter afsluiting van de pré-sociaal-ethische periode een balans op waarbij de bezittingen en schulden te boek worden gesteld voor de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De fiscale reserves dienen aan de winst te worden toegevoegd. De zuivere winst dient aan de aandeelhouders c.q. deelgerechtigden te worden uitgekeerd. 3. Verliezen geleden na de aanwijzing als sociaal-ethisch fonds kunnen niet op grond van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden verrekend met de drie voorafgaande jaren, voor zover deze jaren liggen vóór het jaar waarin de aanwijzing van kracht is, alsmede met het jaar waarin de aanwijzing van kracht is geworden ingeval de winst van dat jaar mede pré-sociaal-ethische resultaten omvat. 4. Binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar overlegt het sociaal-ethisch fonds, zowel aan de inspecteur als aan de inspecteur waaronder de instelling ressorteert voor de heffing en invordering van rijksbelastingen, de definitieve fiscale en commerciële jaarstukken. Hierin is begrepen een overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van dan wel de beleggingen in de sociaal-ethische projecten, opgenomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De betreffende jaarstukken zijn voorzien van een accountantsverklaring. Het sociaal-ethisch fonds dient tevens binnen twee maanden na afloop van elk van de eerste drie kwartalen bij de inspecteur een kwartaalbalans in. Hierbij overlegt het sociaal-ethisch fonds
- – de Wet: de Wet inkomstenbelasting 2001;
- – de Regeling aanwijzen van sociaal-ethische fondsen: de bepalingen in artikel 29 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;
- – de Regeling sociaal-ethische projecten: de ingevolge artikel 5.15, derde en zesde lid, van de Wet, vastgestelde ministeriële regeling van 2 maart 2004, nr. DJZ/BR/0163-04, Stcrt. 2004.44, van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking mede namens de staatssecretaris van Financiën;
- – een instelling: een kredietinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 of een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen;
- – sociaal-ethische fondsen: instellingen die door de inspecteur ingevolge artikel 5.15, eerste lid, van de Wet, als zodanig zijn aangewezen;
- – een sociaal-ethisch project: een project waarvoor ingevolge de Regeling sociaal-ethische projecten een sociaal-ethische verklaring is afgegeven;
- – de inspecteur: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam.