Art. 21 Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen, Verklaring omtrent het gedrag
Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
1. Personen als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de wet zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, voor zover zij als houder van een peuterspeelzaal, als bestuurder, als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of als vrijwilliger structureel in de peuterspeelzaal werkzaam zijn.
2. Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij een peuterspeelzaal werkzaam is.
3. Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 2.6, derde lid, van de wet de eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een peuterspeelzaal aanvangt.
4. Stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een peuterspeelzaal, zijn in het bezit van een verklaring als bedoeld in het eerste lid of voor hen is bij aanvang van de eerste stageperiode een dergelijke verklaring aangevraagd.