Bijlage 2a Regeling herverkaveling: behorende bij artikel 25 van de Regeling herverkaveling
De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in geldbedragen gewaardeerd: Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van € 0,–, € 4.538,– en € 9.075,– tot en met € 22.690,– per hectare, met intervallen van € 1.135,–. De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van € 0,–, € 4.538,– en € 9.075,– tot en met € 22.690,– per hectare, met intervallen van € 1.135,–. De verrekenposten, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat: 1. Over- en onderbedeling worden verrekend, door de waarde van de schatting, bedoeld in artikel 166 van de wet, te vermenigvuldigen met een factor 0,711. 2. De vastgestelde waardeveranderingen, bedoeld in de onderdelen B en C worden verrekend na vermenigvuldiging met de factor, bedoeld in het eerste lid.
- a. De ligging van de kavels ten opzichte van het openbare (of kennelijk openbare) wegenstelsel, rekening houdend met de wegkwaliteit in 3 klassen van respectievelijk € 0,–, € 100,– en € 200,– per hectare;
- b. De ligging van de gebouwen ten opzichte van het openbare (of kennelijk openbare) wegenstelsel rekening houdend met de wegkwaliteit in 3 klassen van respectievelijk € 0,–, € 500,– en € 1.000,– per gebouw;
- c. De waterhuishoudkundige toestand van de kavels in 3 klassen van respectievelijk € 0,–, € 100,– en € 200,– per hectare;
- d. De verkaveling omvattende vorm, grootte, aantal, afstand tot de gebouwen en mate van kavelconcentratie in 5 klassen van € 0,– tot en met € 400,– per hectare met intervallen van € 100,–;
- e. De bepaling van de waardeveranderingen als gevolg van landinrichting in de objectieve en subjectieve factoren geschiedt per eigendom (of per bedrijf) door vergelijking van de toegedeelde kavels met de ingebrachte kavels. Bij de beoordeling van de ingebrachte kavels wordt de invloed van reeds uitgevoerde landinrichtingswerken geëlimineerd, behoudens die van kavelverbeteringswerken.
- a. de aanwezigheid van hoogspanningsmasten op € 545,– per stuk en overspanningen op € 0,11 per m2 (vierkante meter) zakelijk rechtstrook;
- b. de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen, waarvoor een beperkt recht is gevestigd, op € 0,65 per m2 (vierkante meter);
- c. erfdienstbaarheden tot een maximum van € 1.200,– per geval met intervallen van € 120,–;
- d. de aanwezigheid van verontreinigingen in of op de bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming met een door deskundigen vast te stellen bedrag;
- e. extreme schaduw- en wortelwerking, gebaseerd op een vergelijking tussen inbreng en toedeling met een nader te bepalen bedrag, gerelateerd aan de schattingswaarde van de grond;
- f. de mate van vlakligging van het maaiveld tot een maximum van € 1.130,– per ha met intervallen van € 565,–;
- g. de aanwezigheid van beregeningsputten en leidingen op basis van een per situatie bepaalde restwaarde tot een maximum van € 703,– plus € 64,– voor iedere meter die de put dieper is dan 10 meter;
- h. te handhaven obstakels tot een maximum van € 920,– per obstakel met intervallen van € 92,–;
- i. drainages tot een maximum van € 920,– per ha met intervallen van € 92,–.