Art. 2 Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Publiek en Communicatie 2004
Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Publiek en Communicatie 2004
1. De aan de directeur Dienst Publiek en Communicatie krachtens artikel 5 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijksvoorlichtingsdienst 2004 verleende bevoegdheden worden verleend aan de plaatsvervangend directeur Dienst Publiek en Communicatie en aan het hoofd Bedrijfsbureau.
2. De plaatsvervangend directeur Dienst Publiek en Communicatie maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik:
a. bij afwezigheid van de directeur Dienst Publiek en Communicatie;
b. in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die aan hem door de directeur Dienst Publiek en Communicatie zijn toevertrouwd.
3. Het hoofd Bedrijfsbureau maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik bij gelijktijdige afwezigheid van de directeur Dienst Publiek en Communicatie en van de plaatsvervangend directeur Dienst Publiek en Communicatie.