Art. 74 OLW, Slotbepalingen
1. Deze wet treedt in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie in de plaats van de Uitleveringswet, met uitzondering van de artikelen 50a en 51 van die wet, en van de in de relatie tussen Nederland en de lidstaten van de Europese Unie geldende verdragen inzake de uitlevering, te weten:
a. het op 13 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), het op 15 oktober 1975 te Straatsburg tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1979, 119), het op 17 maart 1978 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1979, 120) en, voor zover het op uitlevering betrekking heeft, het op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1985, 66);
b. de op 30 augustus 1979 te Wittem tot stand gekomen Overeenkomst tussen het koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag betreffende de uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1979, nr. 142);
c. afdeling I en voor zover van toepassing afdeling III van het op 27 juni 1962 te Brussel tot stand gekomen Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, zoals gewijzigd bij het op 11 mei 1974 te Brussel tot stand gekomen protocol (Trb. 1962, 97, en 1974, 11);
d. hoofdstuk III, afdeling 4, van de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen;
e. de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken van 26 mei 1989 (Trb. 1990, 97);
f. de op 10 maart 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Trb. 1995, 10);
g. de op 27 september 1996 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 1996, 304).
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing in relatie tot een andere lidstaat van de Europese Unie voorzover en voorzolang die lidstaat niet de maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk zijn om aan het op 13 juni 2003 te Brussel totstandgekomen kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG L 190) te voldoen.
3. Voor zover de Raad van de Europese Unie een besluit neemt dat afwijkt van het eerste of tweede lid, kan daaraan bij algemene maatregel van bestuur uitvoering worden gegeven.
4. De Uitleveringswet blijft van toepassing op de behandeling van een verzoek tot uitlevering en op de in verband daarmede te nemen beslissingen, in gevallen waarin de stukken betreffende dat verzoek vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet zijn ontvangen door Onze Minister.
5. Een opgeëiste persoon die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet is gedetineerd ingevolge een bevel gegeven krachtens artikel 14, 13a of 15 van de Uitleveringswet, wordt, zo het Europees aanhoudingsbevel nog niet is ontvangen, beschouwd en behandeld als een persoon die krachtens artikel 16, 17 of 18 van deze wet in bewaring wordt gehouden of in verzekering is gesteld.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Amsterdam 15 december 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:BD4023
- Rb. Amsterdam 25 oktober 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4909
- Rb. Maastricht 24 november 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BG5116
- Rb. Maastricht 24 november 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BG5114
- Rb. Amsterdam 7 oktober 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4797
- Rb. Amsterdam 7 oktober 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4796
- Rb. Amsterdam 23 september 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU4781
- Rb. Amsterdam 2 september 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU3017
- Rb. Amsterdam 2 september 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU2949
- Rb. Amsterdam 2 september 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU1932
- Rb. Amsterdam 19 augustus 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU1318
- Rb. Amsterdam 5 augustus 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AU0670
- Rb. Amsterdam 29 oktober 2004, ECLI:NL:RBAMS:2004:AR4914
- Rb. Almelo 12 november 2004, ECLI:NL:RBALM:2004:AR5607
- Conclusie A-G Vellinga 9 juni 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH9947
- Conclusie A-G Vellinga 9 juni 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH9946
- Conclusie A-G Langemeijer 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9724
- Conclusie A-G Jörg 14 juni 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT4434
- Conclusie A-G Keijzer 1 februari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS2793
- Conclusie A-G Keijzer 23 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR5107