Art. 1 Wet kabelbaaninstallaties, Inleidende bepalingen

Wet kabelbaaninstallaties

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

CE-markering: CE-markering als bedoeld in artikel 3, onderdeel 27, van de verordening;

conformiteitsbeoordelingsinstantie: ingevolge artikel 5 aangewezen instantie;

essentiële eisen: essentiële eisen, genoemd in bijlage II bij de verordening;

EU-conformiteitsverklaring: EU-conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 19 van de verordening;

kabelbaaninstallatie: kabelbaaninstallatie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van de verordening;

kabelbaanvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 20, eerste lid;

Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

subsysteem: subsysteem als bedoeld in artikel 3, onderdeel 2, van de verordening;

veiligheidscomponent: veiligheidscomponent als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van de verordening;

verordening: Verordening (EU) nr. 2016/424 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende kabelbaaninstallaties en tot intrekking van Richtlijn 2000/9/EG (PbEU 2016, L 81);

verordening (EU) nr. 2019/1020:

Verordening (EU) nr. 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169).

2. In deze wet wordt onder bouwen van een kabelbaaninstallatie mede verstaan: vernieuwen, veranderen of vergroten van een kabelbaaninstallatie waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is vereist.